Volume 1: Soera Al-Faatihah, Verzen 1-5

In de naam van Allah, de Barmhartige de Genadevolle

Dit artikel is een onderdeel van de vertaling van Tafsir al-Mizan. Lees hier eerst het voorwoord!

Inhoud:

Koran:  In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 

Koran:  Alle lof zij Allah. 

Koran: de Heer der Werelden, De Barmhartige, de Genadevolle, 

Meester van de Dag des Oordeels.

Overleveringen 

Vanuit filosofisch standpunt 

Koran: U alleen aanbidden wij en U alleen smeken wij om hulp. 

De Sura:

 

بسم الله الرحمن الرحيم(1) الحمد لله رب العالمين (2) الرحمن الرحيم (3) ملك يوم الدين (4)اياك نعبد واياك نستعين(5)

In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle (1). Alle lof zij Allah, de Heer der Werelden (2). De Barmhartige, de Genadevolle (3). Meester van de Dag des Oordeels (4). U alleen aanbidden wij en U alleen smeken wij om hulp (5). 

*   *   *   *   * 

COMMENTAAR:

Koran: In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

De mensen nemen vaak de naam van één van hun grote en machtige personen op het tijdstip van het verrichten of met het beginnen van een handeling. Door deze associatie gelooft men dat met deze handeling succes, grootheid en zegen bereikt wordt of dat het een gedenkteken wordt dat voor altijd in het geheugen zal blijven. Dit wordt ook waargenomen bij het geven van een naam aan een kind, een project, een huis of een vereniging. Zij geven het de naam van de meest geliefde of de hoogst geëerbiedigde persoon, zodat zijn naam op deze manier aanwezig zal blijven. Bijvoorbeeld: een mens noemt zijn zoon naar zijn vader om de gedachtenis van de vader te bestendigen.

Dit vers doet hetzelfde. Allah begon met Zijn toespraak met Zijn Eigen naam, Groot is Zijn naam zodat de ideeën die in dit hoofdstuk worden onderwezen hiermee bestempeld en geassocieerd worden. Tevens onderwijst het een les aan de mensheid door hen de perfecte manier van het aanvangen van al de besprekingen en handelingen te tonen. Het leidt hen om de zegel van de goddelijke naam op al hun activiteiten te zetten, elke handeling omwille van Allah te verrichten en het te associëren met Zijn goede namen en eigenschappen. Op deze wijze zou deze daad noch ongeldig en nietig gemaakt worden, noch zou deze onvolledig blijven. Het is begonnen in de naam van Allah, en ontbinding en vernietiging kunnen die heilige naam niet bereiken.

Allah heeft verscheidene keren in de Koran verklaard dat wat niet voor Zijn Persoon is het onderspit moet delven en dat geen waarde aan toegekend wordt; Hij zal beginnen om de daden die niet in Zijn belang worden verricht als tot verspreid drijvend stof te maken. Hij zal datgene wat zij hebben gedaan laten mislukken en het tot niets laten verklaren en dat niets zal blijven behalve Zijn geëerde Persoon.

Daarom zal datgene wat omwille van Allah en in Zijn naam uitgevoerd wordt, voortgang krijgen en zal niet verdwijnen. Alles, elk werk en elke zaak zal zijn aandeel in de eeuwigheid hebben, zoveel als gerelateerd is aan Allah. Het is deze werkelijkheid die gesuggereerd wordt in de universeel geaccepteerde overlevering van de Profeet (s): "Elke belangrijke zaak, die niet met de naam van Allah is begonnen, zal onvolledig blijven...." Het al-abtar woord (الابتر= hier vertaald als "onvolledig'') betekent een ding waarvan het eind is afgesneden, een dier waarvan de staart is gescheiden.

Het voorzetsel "bi" ( بِ= in, met), in de uitdrukking "in naam van Allah", is verwant met een onuitgesproken werkwoord "ik begin". Dit vers, op deze specifieke plaats, begint de toespraak met één enkele handeling. Deze enkele handeling komt uit de enkele betekenis ervan, dat is het streven en het doel van de toespraak waarvan de betekenis bedoeld is om medegedeeld te worden.

Allah heeft het doel vermeld waarvoor Zijn toespraak, de gehele Koran, is geopenbaard: ...Tot jullie is van God een licht en een duidelijk boek gekomen. God leidt daarmee wie Zijn welgevallen navolgen op de wegen van de vrede... (5:15-16). Er zijn andere verzen die aantonen dat het doel waarmee het Boek - de toespraak van Allah - is neergedaald de begeleiding van de mensen is.

Daarom zou de volledige betekenis van de zin als volgt zijn: 

De begeleiding, de totale begeleiding is begonnen met de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. Hij is Allah naar wie de dienaren terugkeren. Hij is Barmhartig die de weg van Zijn alomvattende genade voor gelovigen en ongelovigen heeft geopend. De genade die hen van alles voorziet wat voor hun bestaan en leven noodzakelijk en goed is. Hij is Genadevol die Zijn speciale genade voor de gelovigen heeft gereserveerd. De genade die hun geluk in het hiernamaals en hun nabijheid van hun God verzekert. Allah heeft gezegd: ...maar Mijn barmhartigheid omvat alle dingen. Zo zal Ik het verordenen voor degenen die Mij vrezen en de Zakaat betalen en voor hen die in Onze tekenen geloven."... (7:156). Deze verklaring is geschreven, dit vers in het kader geplaatst van de gehele Koran, waarvan het de eerste zin is.

Nogmaals Allah heeft herhaaldelijk in Zijn toespraak het woord "Hoofdstuk" (Soerat) vermeld. Bijvoorbeeld: Zeg: "Brengt dan een hieraan gelijke Hoofdstuk voort...(10:38); Zeg: " Breng dan tien dergelijke verzonnen hoofdstukken voort... (11:13); En wanneer een hoofdstuk wordt geopenbaard... (9:86); Dit is een hoofdstuk, dat Wij hebben geopenbaard... (24:1). Het toont aan dat Allah zelf Zijn toespraak in diverse delen heeft verdeeld, elk deel dat een hoofdstuk wordt genoemd. Het betekent natuurlijk dat elk hoofdstuk één enkele eenheid in structuur en in volledigheid van de betekenis is en dat die eenheid niet tussen diverse verzen van een hoofdstuk of tussen één hoofdstuk en een andere wordt gevonden. Noodzakelijkerwijze sluit het erop aan dat het thema van elk hoofdstuk verschillend is, elk hoofdstuk wordt geopenbaard met een bepaald doel voor ogen en wanneer dat doel wordt bereikt komt het hoofdstuk aan zijn eind.

Daarom verwijst het vers "in de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle" aan het begin van elk hoofdstuk naar het bijzondere thema van dat hoofdstuk.

Dienovereenkomstig verwijst dit vers, aan het begin van dit hoofdstuk van "Het Begin" (al-Fatihaah), ook naar het thema van dit hoofdstuk. Uit zijn semantische beloop wordt duidelijk dat zijn doel is om Allah te prijzen en het dienaarschap van de gelovigen te bezweren (verklarende dat het slechts Allah aanbidt en alleen bij Hem om hulp smeekt) en dan het bidden voor goddelijke begeleiding. Deze toespraak is geuit door Allah namens Zijn dienaar zodat de dienaar kan leren hoe, door deze woorden te herhalen, hij zijn dankbaarheid en dienaarschap aan Allah kan tonen.

Het bezweren van het dienaarschap is het belangrijke werk in de voornemens van de dienaar van Allah, doordat hij begint met de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. In deze context zou dit vers betekenen: In Uw naam, bezweer ik mijn dienaarschap aan U toe.

In dit eerste vers van dit hoofdstuk is het voorzetsel "in" daarom verwant met het impliciete werkwoord "ik begin" en het doel is het oprechte dienaarschap te perfectioneren door de belofte slechts aan Allah te richten. Sommige mensen hebben gezegd dat het impliciete werkwoord is "ik smeek om hulp". Hoewel deze mening niet afkeurenswaardig is, maar "ik begin" is meer aangewezen.  Het hoofdstuk streeft uitdrukkelijk naar goddelijke hulp "en U alleen smeken wij om hulp", daarom is het niet in het begin noodzakelijk.

"Al-ism" (الاسم= naam) is het woord dat verwijst naar het genoemde ding of de persoon. Het is afgeleid van as-simah (السمة=teken, het identificeren van het teken) of as-sumuww (السمو= hoogte, uitmuntendheid). In elk geval, het is het woord waar een individueel ding of een persoon over wordt gesproken of aangesproken. Natuurlijk is het anders dan en afzonderlijk van het genoemde ding.

Het volgende is een steekproef van de academische oefeningen die geliefd waren onder de voorouders:

Er is een naam die betekent "de persoon zichzelf gezien in het licht van een attribuut". Een dergelijke naam is niet afzonderlijk van de genoemde persoon; het is de persoon zelf. Het woord al-Alim (العالم= de Wetende), één van de goddelijke namen, wijst de Persoon van Allah aan zoals die in het licht van Zijn eigenschappen van Kennis wordt gezien. Tezelfdertijd verwijst het naar Allah die niet gekend kan worden behalve door één of andere van Zijn eigenschappen. 

Laten we deze kwestie op een andere manier verklaren. De "naam" verwijst naar de genoemde persoon, eveneens verwijzen de persoonlijke kenmerken en de karaktertrekken naar de drager van deze kenmerken en karaktertrekken. Op deze wijze kunnen wij zeggen dat de persoonlijke kenmerken de "namen" van de betrokken persoon zijn. De "naam" dienovereenkomstig kan van twee soorten zijn: in woorden en in inhoud. De directe naam is van het tweede type, namelijk het persoonlijke kenmerk dat naar zijn eigen onderwerpen verwijst. Bijvoorbeeld de "Kennis" die naar Allah verwijst, de drager van de kennis. En het woord "de Wetende" is in werkelijkheid een indirecte naam. Het verwijst naar de directe naam, namelijk de attributen van kennis. Dat dus uiteindelijk direct verwijst naar de drager ervan, namelijk Allah. "Kennis" is dus de naam van Allah en "de Wetende" is "de naam van de naam".

De bovengenoemde was het resultaat van de academische analyse (of laten we zeggen, geestelijke luxe!) dat vroeger werd vermeld, maar dergelijke zaken zouden niet opgelegd moeten worden aan taal en literatuur. "Naam", volgens de "algemene Arabische taal", betekent wat wij al eerder hebben beschreven. Er waren heel wat controverses onder de theologen in de vroegere eeuwen van de Islam: of de naam wel of niet afzonderlijk was van de genoemde persoon. Dergelijke onnodige polemiek is in deze tijden niet meer van toepassing; het is overduidelijk dat "naam" en "genoemd" twee dingen zijn en niet één. Wij zouden geen tijd en energie moeten verspillen in het citeren van de voor- en tegenargumenten van de voorouders en in het beoordelen van wie juist was.

"Allah" (الله= de goddelijke naam) was oorspronkelijk al-Ilah; de "I" in het midden werd weggelaten wegens frequent gebruik. al-Ilah (الاله) is afgeleid van alaha ( الَهَ= hij aanbad) of uit aliha of waliha  (  َالِهَof وَلِهَ = hij was verbijsterd). Het is aan het paradigma van al-fi'al (اَلفعالُ) in de betekenis van al-maf'ul ( اَلمَفعُول=zelfstandig naamwoord). Bijvoorbeeld al-Kitab (الكتاب) betekent al-Maktub ( المكتوبُ= geschreven); eveneens al-ilah betekent al-ma'luh ( المَالوه), namelijk wie aanbeden wordt of van wie de intellecten verbijsterd zijn.

Overduidelijk is het de eigennaam van God geworden. Alvorens de Koran werd geopenbaard, werd het algemeen in deze betekenis in het Arabisch gebruikt. Het feit dat zelfs de pre-islamitische Arabieren deze naam voor God gebruikten, kan van de volgende verzen worden geconcludeerd:   

En indien gji hun vraagt: "Wie schiep hen?", zullen zij zeker zeggen: "Allah"…(43:87)

...en zij zeggen: "Dit is voor Allah en dit is voor onze goden," zoals zij het zich denken (6:136).

Andere goddelijke namen kunnen als bijvoeglijke naamwoorden voor deze naam worden gebruikt. Bijvoorbeeld "de Barmhartige en de Genadevolle Allah" en tevens wordt deze naam als onderwerp van de werkwoorden gebruikt die uit andere goddelijke namen worden afgeleid. Bijvoorbeeld: "Allah wist", "Allah had genade", "Allah gaf voedsel" enz. Maar het woord "Allah" wordt nooit gebruikt als bijvoeglijk naamwoord aan een andere naam, noch wordt het werkwoord uit afgeleid om andere namen te beschrijven. Het is een duidelijk bewijs dat het de eigennaam van God is.

Het goddelijke bestaan, in zoverre dat Allah de God van alles is, veronderstelt dat hij alle eigenschappen van perfectie zou moeten hebben en dientengevolge verwijst deze naam naar alle perfecte eigenschappen. Dit is waarom men zegt dat de naam "Allah" betekent "de Persoon die het Essentiële Bestaan is en die over alle eigenschappen van perfectie beschikt". Maar het feit is dat het de eigennaam van God is en geen andere betekenis (behalve dat het gerelateerd is aan verering of verbijstering) is hier in overweging genomen.

"Ar-Rahman ar-Rahim ( الرحمن الرحيم= de Barmhartige, de Genadevolle) zijn twee bijvoeglijke naamwoorden die afgeleid zijn van ar-rahmah (genade).

Wanneer u iemand ziet lijden aan een tekortkoming die hij zelf niet kan verhelpen, wordt de reactie die u ervaart en die tegen u zegt om hem van datgene te voorzien wat hij nodig heeft om zijn tekortkoming te compenseren, genade genoemd. Genade betekent dus geven en verlenen om de behoeften van anderen te vervullen. Het is deze laatstgenoemde betekenis waarin deze eigenschap voor Allah wordt gebruikt.

"Ar-Rahman" ( الرحمن) is een paradigma dat gebruikt wordt voor vergroting en overdrijving. "ar-Rahim" (الرحيم) is een paradigma van as-Sifatu‘l-mushabbah ( الصفةُ المُشَبههَ= eeuwigheid als bijvoeglijk naamwoord, onafscheidelijke attributen). Daarom heeft "ar-Rahman" (hier vertaald als "de Barmhartige") betrekking op de alomvattende genade die aan de gelovigen en de ongelovigen wordt verleend. In de Koran wordt het meestal in deze betekenis gebruikt. Allah zegt: De Barmhartige, Die Zich nederzette op de Troon (20:5); Zeg: "De Weldadige geeft degenen die dwalen uitstel…(19:75). "ar-Rahim" (hier vertaald als "de Genadevolle"), is anderzijds meer aangewezen voor de genade die voor altijd zal blijven, de eeuwige onuitputtelijke genade die aan de gelovigen in het hiernamaals zal worden verleend. Allah zegt: ...En Hij is voor de gelovigen Genadig (33:43); Voorzeker, Hij is Liefderijk, Genadevol jegens hen (d.w.z. de gelovigen) (9:117). Dit is waarom men zegt dat de genade van "ar-Rahman" voor de gelovigen en de ongelovigen gemeenschappelijk is en dat de genade van "ar-Rahim" slechts gereserveerd is voor de gelovigen.

Koran: Alle lof zij Allah:

Er wordt gezegd dat "al-hamd" (الحمدُ) is om iemand te prijzen voor het goede dat door zijn eigen intentie voortgekomen is. "al-madh" (ook vertaald als lof) is meer algemeen en wordt gebruikt om iemand zelfs te prijzen voor het goede dat hij geeft buiten zijn eigen wil en macht. Als u iemand voor zijn welwillendheid prijst, kunt u of het woord al-hamd of al-madh gebruiken, maar als u een parel voor zijn glans wilt prijzen dan kunt u het werkwoord al-madh, maar niet al-hamd gebruiken omdat de parel de glans niet door zijn eigen wil en aandrijven heeft verworven.

"Al" ( ال= hier vertaald als "alle") in "al-hamd" duidt op soorten van lof, of elk en ieder lof aan. Het eindresultaat is in beide gevallen hetzelfde en dat is waarom het hier als "alle" is vertaald.

Allah zegt: Zo is Allah uw Heer, de Schepper aller dingen...(40:62). Alles wat een bestaan heeft is gecreëerd door Allah. Opnieuw zegt hij: ...Die de schepping van alles tot het goede voltooide...(32:7). Alles is goed, omdat het door Allah is gecreëerd en het aan Hem is toegeschreven. Met andere woorden een ding wordt goed, omdat het door Allah is gecreëerd en alles wat gecreëerd is door Hem is goed. Elk schepsel is goed en mooi, omdat Allah het zo heeft gemaakt en elk goed en mooi ding wordt gecreëerd door Allah, wat aan Hem wordt toegeschreven. Allah zegt: Hij is Allah, de Ene, de Opperste...(39:4); Alle gezichten zullen zich verootmoedigen in tegenwoordigheid van de Levende, de Uitzichzelf – Bestaande...(20:111). Met andere woorden, Hij heeft de schepselen door Zijn eigen kennis, macht en wil geschapen en niet omdat Hij door iemand anders gedwongen was dit te doen. Daarom is alles Zijn eigen goede werk, dat door Zijn eigen wil voltooid is.

Het bovengenoemde vertoog betreft de handeling van Allah. Betreffende Zijn namen, heeft hij gezegd: Allah, - er is geen God dan Hij. Hij heeft de schoonste namen. (20:8); Aan Allah behoren alle goede namen. Roept Hem daarbij aan. En laat degenen, die ten opzichte van Zijn namen van de rechte weg afwijken, met rust (7:180). Het is duidelijk dat Allah in Zijn namen en in Zijn handelingen goed is en dat elk goede en schoonheid van Hem afkomstig is. 

Daarom wordt Allah geprezen voor zowel Zijn goede namen als Zijn goede handelingen. Elk lof dat door een spreker uitgesproken wordt voor elke goede handeling is in werkelijkheid gericht aan Allah, omdat elk goede (wat het onderwerp is van lof) slechts van Hem afkomstig is. In het kort, tot Hem behoren de soorten van het lof en allen en elk lof. 

Het vers: "U alleen aanbidden wij" toont aan dat het gehele hoofdstuk namens de mens wordt geopenbaard. Allah onderwijst de mens in dit hoofdstuk hoe hij zijn God moet prijzen en hoe hij loyaliteit en nederigheid aan Hem moet tonen. En de uitdrukking "Alle lof zij Allah" versterkt verder deze gevolgtrekking zoals in de volgende alinea besproken zal worden.

Lof betekent het toekennen, het toeschrijven en Allah heeft verklaard dat Hij boven alles staat van wat Zijn dienaren aan hem toeschrijven. Hij heeft gezegd: Verheven is Allah boven hetgeen zij zeggen. Met uitzondering van de uitverkoren dienaren van Allah (37:159 -160). Deze verklaring is algemeen en onvoorwaardelijk en het wordt verder bewezen door het feit dat niet in één enkel vers in de Koran de handeling van "lof" aan iemand wordt toegekend, behalve aan Allah en enkele profeten (die zonder twijfel vrij zijn van alle zonden). Allah spreekt Nuh (Noah - a.s.) aan met deze woorden: ...zeg dan: "Alle lof behoort aan Allah, Die ons van een boosaardig volk heeft gered." (23:28). En hij citeert lbrahim (Abraham - a.s.) zoals zeggend: ‘’Alle lof behoort aan Allah, Die mij in weerwil van ouderdom Ismaël en Izaak heeft gegeven...’’ (I4:39). Tevens vertelde hij Zijn Profeet Muhammad (s) in verscheidene plaatsen; En zeg: "Alle lof behoort aan Allah...(27:93). Verder zegt hij over Dawud en Sulayman (vrede zij met hen): ...en zij zeiden: "Alle lof behoort aan Allah…" (27:15). Een andere uitzondering hierop zijn de mensen van het Paradijs en zij worden ook bevrijd van trotsheid en haat evenals van nutteloze en zondige woorden: ...En het einde van hun aanroep zal zijn: "Alle lof komt Allah toe, de Heer der Werelden" (10: 10).

Wat betreft de andere schepselen zegt de Koran nooit dat zij Allah "prijzen", zij "verheerlijken altijd Allah met Zijn lof". Allah zegt: ...maar de engelen verheerlijken hun Heer met de lof die Hem toekomt... (42:5); En de donder verkondigt Zijn glorie met de lof die Hem toekomt... (13:13);...en daar is niets dat Hem niet met de lof die Hem toekomt verheerlijkt... (17:44). In al deze verzen is het "lof" voorafgegaan door het verheerlijken; "verheerlijken" is het belangrijkste werkwoord en "met lof" is slechts een zinsnede dat hieraan is toegevoegd. Niets behalve Allah kan de schoonheid en de perfectie van Zijn werk begrijpen, noch kan iedereen de schoonheid en de perfectie van Zijn namen en eigenschappen begrijpen. Allah zegt: ...maar zij kunnen het met hun kennis niet omvatten (20:110). In deze achtergrond zou het betekenen dat als zij hem moesten prijzen, zij Hem dan met hun kennis hadden begrepen. Met andere woorden, Allah zou omringd worden door hun beperkte bevatting, beperkt binnen de grens van hun begrip. Daarom waren zij voldoende zorgvuldig om eerst Zijn glorie te verklaren vanuit alle grenzen van hun begrip, alvorens te beginnen met Zijn lof. Allah zegt: ...Voorzeker Allah weet (alles), en gij weet niets (16:74).

Wat betreft Zijn gezuiverde dienaren behandelt Hij hun uiting van lof alsof Hij het zelf heeft gezegd, omdat zij vrij zijn van zonden en tekortkomingen. 

Van het bovengenoemde vertoog wordt het glashelder wat de goede manier van dienaarschap eist: de dienaar zou zijn God precies met dezelfde woorden moeten prijzen als God voor Zichzelf heeft gekozen. Geen afwijking hiervan zou verdraaglijk zijn zoals de Profeet in een algemeen geaccepteerde overlevering heeft gezegd; "Ik noem Uw lof niet op, Uw artistiek als U Uzelf heeft Uzelf geprezen. 

Daarom is het goddelijke woord, "Alle lof zij Allah", een soort onderwijzing aan de dienaar, zonder deze onderwijzing zou hij niet weten hoe hij het lof van Allah zou verklaren.

Koran: de Heer der Werelden, De Barmhartige, de Genadevolle, Meester van de Dag des Oordeels: 

"ar-Rabb" ( الَربُ) is de Meester die de zaken van Zijn dienaar beheert. Het woord impliceert dus het idee van eigendom. De eigendom (in onze sociale structuur) is een speciale verhouding van één ding met een ander, een verhouding die de eigenaar toestaat om met datgene wat hij bezit te doen wat hij wenst. Wanneer wij zeggen "Dit ding behoort tot ons" toont het aan dat het een speciale verhouding heeft met ons dat ons toestaat ermee te doen wat wij wensen; was het niet voor deze verhouding dan zouden wij dit gezag hierover niet gehad hebben. In deze sociale context is het een opvatting die door de maatschappij is bepaald en waar deze geen bestaan heeft buiten de verbeelding. Dit idee wordt afgeleid uit een ander werkelijk en positief concept dat ook "eigendom" wordt genoemd: Onze ledematen en vermogen zoals het zien, het horen, de handen en de voeten behoren tot ons. Zij bestaan wegens ons eigen bestaan, zij hebben geen onafhankelijke bestaan, zij zijn overgeleverd aan ons voor hun bestaan en continuïteit en wij gebruiken ze aangezien wij ervan houden. Dit is de echte eigendom.

De eigendom die aan Allah kan worden toegeschreven is in werkelijke zin en is niet op subjectieve vooruitzichten gebaseerd. De werkelijke eigenaar kan overduidelijk niet gescheiden worden van het beheer van de dingen die hij bezit. Datgene wat hij bezit is geheel overgeleverd aan het bestaan van de eigenaar, evenals in alle zaken met betrekking tot zijn bestaan. Allah is "ar-Rabb " de God van alles, omdat God de eigenaar is die de zaken van wat hij bezit beheert en regelt en slechts Allah heeft deze eigenschap.

"Al-`Alamin" ( اَلعَالمِينَ) is het meervoud van al-'alam (اَلعَالمُ= de wereld) wat letterlijk betekent, "waar men mee gekend wordt". Dit paradigma wordt gebruikt voor een "instrument", zoals al-qalab ( اَلقَالبُ= de vorm, de gedaante), al-khatam ( اَلخَاتَمُ=bezegelen, het instrument voor het bezegelen) en at-taba' ( الطابعُ= de zegel, imponeren). Het woord al-'alam wordt gebruikt voor het universum, het geheel van de creatie. Ook wordt het gebruikt voor elk afzonderlijk genomen gen of soort. Bijvoorbeeld, de anorganische wereld, de plantaardige wereld, de dierenwereld, de menselijke wereld, etc. Het wordt ook gebruikt voor een klasse van een soort, zoals de Arabische wereld, de Afrikaanse wereld enz. Deze laatste betekenis is meer aangewezen in de context van deze verzen: De verzen die de goede namen van Allah vermelden tot het vers "Meester van de Dag des Oordeels". Het oordeel is gereserveerd voor de mensheid; alleen of samen met de jinn. Daarom zouden de "werelden" naar de werelden van de menselijke wezens en jinn moeten verwijzen, namelijk hun diverse groepen. Het woord al'alamin (de werelden) is in andere verzen in de Koran ook in deze betekenis gebruikt. Allah zegt: ..."O, Maria, Allah heeft u uitverkoren en u gereinigd en u boven de vrouwen aller werelden (volkeren) uitverkoren." (3:42); ...opdat hij een waarschuwer moge zijn voor alle werelden (volkeren). (25:1); …"Pleegt gij een gruweldaad zoals niemand ter wereld ooit vóór u pleegde?" (7:80).

"Meester van de Dag des Oordeels": Wij hebben in het bovenstaande de betekenis van eigendom verklaard, namelijk het meesterschap. Het woord "al-malik" wordt afgeleid uit al-milk (bezit, het bezitten). Sommige voordragers hebben dit woord voorgedragen als "al-malik" (soeverein, de koning); het wordt afgeleid uit al-mulk (land; koninkrijk). De koning is degene die het gezag heeft om de zaken van zijn natie te beheren; niettemin bezit hij niet de natie of het land. Hij houdt dus het gezag over het beheer en het beleid. 

De voordragers hebben de redenen voor hun voorkeur gegeven voor één van beide recitaties. Maar het feit blijft dat Allah de Meester evenals de Koning is, en beide woorden zijn even correct, wat betreft het goddelijke gezag. Vanuit het taalkundige standpunt, wordt het woord "Koning" over het algemeen in de context gebruikt van tijd en periode. Er wordt gezegd, "de koning van die tijd"; maar zij zeggen niet "de meester van die tijd", aangezien het een breed betekenisdomein zou krijgen. In dit vers, heeft Allah dit woord gebruikt in verwijzing naar een bepaalde "dag"; daarom zou het taalkundig meer juist zijn om te spreken van "de Koning van de Dag des Oordeels". Voorts heeft Allah het woord "Koninkrijk" in de context van dezelfde dag in een ander vers gebruikt: ..."Van Wie is het Koninkrijk op deze Dag?" "Van Allah, de Ene, de Onweerstaanbare" (40:16).

OVERLEVERINGEN

Imam al-Rida (a) heeft in verklaring van de goddelijke woorden gezegd: "In naam van Allah:" betekent: "Ik kenmerk mijn ziel met één van de kenmerken van Allah en dat is (Zijn) verering." Hij werd gevraagd: "Wat is dit 'kenmerk ?" Hij zei; ‘de stempel.’ ('Uyunu 'I-akhbar and Ma'ani 'I-akhbar).

De auteur zegt: Deze betekenis is afkomstig van de eerder gegeven verklaring, namelijk dat het voorzetsel "in" het begin impliceert. Aangezien de dienaar zijn verering met de naam van Allah kenmerkt, brandmerkt hij zijn ziel met één van de goddelijke kenmerken. 

Er wordt overgeleverd in at-Tahdhib door al-Sadiq (a), en in 'Uyunu 'I-akhbar en at-Tafsir van al-Ayyashi door al-Rida (a) dat "dit vers dichter bij de Grootste naam van Allah is dan de iris van het oog met zijn oogwit".

De auteur zegt: deze overlevering zal worden verklaard wanneer wij over de Grootste Naam zullen spreken.

Imam Ali (a) zei dat (dit een vers) is van het hoofdstuk van Het Begin; "En het was waarlijk een gewoonte van de Profeet van Allah om het te reciteren en het te beschouwen als één van de verzen van dit hoofdstuk", en hij zei herhaaldelijk, "Het Begin van het Boek is 'de zeven meest herhaalde (verzen)’". ('Uyunu 'I-akhbar)

De auteur zegt: deze kwestie is ook aangehaald door de Soennitische overleveraars. Al-Dar-Qutni vertelde een overlevering van Abu Hurayrah, waarin de Profeet (s) van Allah zegt: “Wanneer u (het hoofdstuk van) De Lof (d.w.z. Het Begin) reciteert, zal u reciteren; ‘In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle’, omdat het de bron is van het Boek en (tot) de zeven meest herhaalde (verzen) behoort, en ‘In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle’, is één van Zijn verzen.”

Al-Sadiq (a) zei: “Wat hebben zij gedaan? Moge Allah hen vernietigen! Zij gingen aan het grootste vers van het Boek van Allah te werk en dachten dat het een innovatie zou zijn (onwettige handeling) als zij het luid reciteerden!” (al-Khisal)

Al-Baqir (a) zei: "Zij stalen het meest verheven vers van het Boek van Allah, (namelijk) ‘In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle’. Het zou bij het begin van elke grote of kleine handeling moeten worden gereciteerd, zodat het kan worden gezegend.”

De auteur zegt: er zijn talrijke overleveringen met deze betekenis, afgeleid van de lmams van Ahlalbait (a). Al deze overleveringen bewijzen dat het vers (In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle) een deel van elk hoofdstuk is, behalve het negende hoofdstuk (‘Berouw’); en de Soennitische overleveringen bewijzen dit ook:

Anas (ibn Malik) zei dat de Profeet van Allah zei: "Zojuist is een hoofdstuk naar mij neergekomen". Hierna begon hij reciterend, "In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle" (as-Sahih, Muslim).

Abu Dawud, overgeleverd door Ibn 'Abbas (zijn ketting wordt door hen als "correct" beschouwd), zei: "Waarlijk wist de Profeet van Allah de scheiding niet van een hoofdstuk (in een andere overlevering staat ‘het einde van een hoofdstuk’), tot op hem neerkwam: “In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle”. 

De auteur zegt: deze kwestie is aangehaald door Sjiitische overleveraars, ook van al-Baqir (a).

In al-Kafi, at-Tawhid, Ma’ani 'I-akhbar en at-Tafsir van al-'Ayyashi wordt vermeld dat al-Sadiq (a) zei, o.a., in een overlevering: "En Allah is God van alles, ar-Rahman (de Barmhartige) voor al Zijn Scheppingen, ar-Rahim (de Genadevolle) in het bijzonder voor de gelovigen." 

Al-Sadiq (a) heeft gezegd: "ar-Rahman (de Barmhartige) is een speciale naam met een algemeen attribuut; ar-Rahim (de Genadevolle) is een algemene naam met een speciaal attribuut."

De auteur zegt: het voorafgegane commentaar kan verklaren waarom de genade van "de Barmhartige" in algemene zin gelijk is voor de gelovige en de ongelovige, en waarom dat van "de Genadevolle" voor slechts de gelovige gereserveerd is. De beschrijving die in deze overlevering wordt gegeven, namelijk dat ‘de Barmhartige een speciale naam is met een algemeen attribuut en de Genadevolle een algemene naam met een speciaal attribuut’, verwijst wellicht naar het feit dat de genade van de Barmhartige beperkt is tot deze wereld en gemeenschappelijk is voor de gehele schepping; en die van de Genadevolle gemeenschappelijk is voor deze wereld en het hiernavolgende, maar gereserveerd is voor de gelovigen. De genade van de Barmhartige is gereserveerd voor de scheppende zegen die aan de gelovigen en de ongelovigen wordt verleend; en dat van de Genadevolle is gemeenschappelijk voor de scheppende en wetgevende zegen (het laatstgenoemde opent de weg naar geluk) en is gereserveerd voor de gelovigen, omdat slechts de gulheid die verleend wordt voor altijd zal duren, en het (goede) einde is voor het bewaken tegen het kwade en voor vroomheid.

In Kashfu 'I-ghummah is overgeleverd dat al-Sadiq (a) zei: “Een muilezel van mijn vader was zoek. Hij zei: “Als Allah het naar me terug brengt, zal ik Hem bedanken met Lof dat Hem zal behagen”. Kort daarna werd de ezel voor hem gebracht, inclusief zijn (intacte) zadel en teugel. Toen hij op zijn ezel zat en zijn kleding de ezel omhulde, hief hij zijn hoofd naar de hemel op en zei: “Alle lof zij Allah”. Hij zei hierna niets meer. Vervolgens zei hij: “Ik heb niet verzuimd en ik heb niets weggelaten. Ik heb verklaard dat alle Lof voor Allah is, Krachtig en Groot is hij (!), omdat er geen lof is die niet inbegrepen is in deze (formule).” Er is overgeleverd in Uyunu ‘l-akhbar dat Imam Ali (a) naar zijn verklaring werd gevraagd. Hij zei: “Waarlijk, Allah heeft aan Zijn dienaren een deel van Zijn beloningen verklaard, aangezien zij niet al Zijn beloningen in detail kennen – zij (de beloningen) zijn voorbij opsomming en beschrijving. Daarom zei hij: zeg “Al het lof is voor Allah voor wat hij aan ons heeft verleend”.”

De auteur zegt: de lmam (a) benadrukte het feit dat eerder al vermeld was. Namelijk dat het lof in dit vers van de dienaar is en dat Allah het heeft geopenbaard om hem de manieren van dienaarschap en verering te onderwijzen.

VANUIT FILOSOFISCH STANDPUNT

De reden vertelt ons dat een effect, evenals al zijn kenmerken en zaken, van hun oorzaak afhangen; wat voor perfectie deze ook hebben, allen zijn een schaduw van de oorzaak. Als de schoonheid of de goedheid een bestaan zouden hebben, dan is de perfecte en onafhankelijke entiteit daarvan slechts voor Allah bestemd, aangezien Hij de oorzaak is van alle oorzaken. Het lof en de dank worden in werkelijkheid toegeschreven aan de oorzaak, die tot perfectie en voortreffelijkheid leidt. Aangezien elke perfectie door Allah is veroorzaakt, moet de lof aan Allah gericht worden. 

KORAN: U alleen aanbidden wij en U alleen smeken wij om hulp (1;5):

"Al-‘abd" ( العَبدُ) betekent slaaf, een mens die bezit is van een ander. In zijn abstracte betekenis wordt het ook toegepast op andere intellectuele wezens, zoals Allah in Zijn heilige boek zegt: "Er is niemand in de hemelen en op de aarde die niet als een dienaar tot de Barmhartige zal komen " (19:93). Tegenwoordig wordt het algemeen vertaald als ‘dienaar’ ( عَبدًاً).

"Al-‘ibadah" ( اَلعِبَادَةُ= het dienen, het aanbidden, het gehoorzamen) is afgeleid uit het woord "al-‘abd". De betekenis hiervan verandert in relatie tot de context. Al-Jawhari heeft in zijn woordenboek, al-Sihah, geschreven dat de basis van “al-‘ubudiyyah” ( العُبودِيه= dienaarschap) "al-khudu" ( الخضُوُعُ= overgave) is. Maar deze verklaring is niet van het woord; het toont slechts een toegevoegde kwaliteit van zijn betekenis, omdat al-khudu' met het voorzetsel "li" ( لِ) wordt gebruikt en al-'ibadah zonder enig voorzetsel wordt gebruikt.

Wanneer een dienaar van Allah Hem aanbidt, bevindt hij zich vóór zijn Heer aangezien een slaaf zich vóór zijn meester bevindt. Dat is waarom de verering lijnrecht tegengesteld is aan arrogantie en trotsheid - maar het is niet zo tegengesteld aan polytheïsme; immers een slaaf kan door twee of meerdere meesters gezamenlijk worden bezeten. Allah zegt: En uw Heer zegt: "Aanbidt Mij; Ik zal uw gebed verhoren. Maar zij die te hoogmoedig zijn om Mij te aanbidden, zullen veracht de hel binnengaan" (40:60). Ook zegt Hij: "…Laat daarom degene die op de ontmoeting met zijn Heer hoopt, goede daden verrichten en bij de aanbidding van zijn Heer niemand anders met Hem vereenzelvigen" (18:110). Men zou hier moeten opmerken dat polytheïsme - verering van iemand naast Allah - een mogelijkheid is, en dat is waarom het onderworpen is aan dit verbod; niets verbiedt iets onmogelijks. Maar hoogmoedigheid bestaat niet met verering, en dat is waarom de uitdrukking "hoogmoedig voor mijn verering" in het eerste vers is gebruikt.

De slavernij is werkzaam in die zaken die in het bezit zijn of gecontroleerd worden door de meester en niet in andere kwesties met betrekking tot de slaaf, zoals dat hij de zoon is van zijn vader of dat hij een bepaalde lengte in centimeters bereikt heeft. Er bestaat geen dienaarschap of slavernij in dergelijke dingen. Maar het meesterschap van Allah is niet beperkt; Zijn meesterschap wordt niet gedeeld met anderen, noch wordt de slavernij van de schepselen verdeeld tussen Allah en iemand anders. Een meester heeft slechts beperkt gezag over zijn dienaren - hij kan hen aanwenden om bepaalde plichten uit te voeren, maar hij kan hen niet doden of onrechtvaardig straffen. Maar Allah heeft een onbeperkt en allesomvattend gezag over Zijn dienaren; Hij handelt naar zijn eigen wil betreffende hen. Zijn eigendom is onvoorwaardelijk en onbeperkt en het dienaarschap van Gods dienaren is eveneens onvoorwaardelijk en onbeperkt. Deze "eigendom" is werkelijkheid en exclusief aan beide kanten: de Heer heeft de exclusieve eigendom en de slaaf heeft het exclusieve dienaarschap. De bouw van de zin "U alleen aanbidden wij" benadrukt deze uitsluitendheid: het onderwerp, "U", is geplaatst vóór het werkwoord, en de verering wordt vermeld zonder enige voorwaarde.

Men heeft vroeger verklaard dat datgene wat in bezit is, bestaat en zal blijven bestaan door en met de eigenaar. In deze betekenis zou het de aandacht van een toeschouwer niet mogen afleiden van de eigenaar ervan. U bekijkt een huis dat tot Willem behoort; als u het slechts als huis bekijkt, kunt u de eigenaar Willem misschien uit het oog verliezen, maar als u het vanuit de invalshoek bekijkt dat het een bezit is van Willem, dan kunt u uw gedachten niet van hem onthouden.

Het enige ware attribuut van het heelal is dat het in bezit is en gecreëerd is door Allah. Niets in de schepping kan de goddelijke aanwezigheid verbergen, noch zou het bezichtigen van deze schepsels Allah in vergetelheid brengen. Hij is voor altijd aanwezig, zoals Hij heeft gezegd: …Weldra zullen Wij hen Onze tekenen in henzelf en over afgelegen streken tonen, tot het hen duidelijk wordt dat dit de Waarheid is. Is het niet genoeg dat uw Heer Getuige over alle dingen is? Ziet toe! Zij zijn in twijfel over de ontmoeting met hun Heer. Voorwaar, Hij omvat alle dingen (41:53-54). Bij de ware aanbidding moeten daarom zowel degene die aanbeden wordt als de aanbidder beiden aanwezig zijn. Allah zou aanbeden moeten worden, aangezien Hij de eerste is van alles en voor de aanwezigheid van de aanbidder al bestaat. De aanwezigheid van de aanbidder is namelijk afhankelijk van de aanwezigheid van Allah en dit is waarom de derde persoon van de voorafgaande verzen is veranderd in de tweede persoon in het vers "U aanbidden wij". De aanbidder zou zich vóór zijn Heer moeten bevinden: niet alleen zijn lichaam, maar ook zijn ziel moet aanwezig zijn. Anders zou de aanbidding een lichaam zonder ziel zijn, als een gedaante zonder leven. Noch zou hij zijn aandacht moeten verdelen tussen zijn Heer en iemand anders (of iets) - noch openlijk (als de aanbidders van het afgodsbeeld) noch in het geheim (als degene wiens gedachten ergens anders zijn tijdens het aanbidden van Allah of wie Allah enkel aanbidt omdat hij het paradijs wil ingaan of van de hel gered wil worden). Al deze afleidingsacties zijn diverse facetten van polytheïsme, en Allah heeft het in Zijn Boek verboden: ...aanbid daarom Allah, oprecht zijnde jegens Hem in onderwerping (39:2). Ziet, aan Allah alleen komt oprechte gehoorzaamheid toe. En degenen die naast Hem anderen als beschermers nemen, zeggende: "Wij aanbidden dezen slechts opdat zij ons in Allah's nabijheid brengen." Voorzeker, Allah zal onder hen uitspraak doen betreffende datgene waarin zij verschillen. Voorwaar, Allah leidt een ondankbare leugenaar niet (39:3).

De verering zal een ware verering zijn wanneer het met een zuivere intentie wordt verricht en deze zuiverheid is genoemd als zijnde de aanwezigheid van de vereerder. Dit zal slechts tot stand komen wanneer de aandacht van de vereerder op niets gevestigd wordt behalve Allah (anders zou er sprake zijn van polytheïsme) en wanneer zijn doel van verering niet de hoop of vrees voor het paradijs of de hel betreft (anders zou de verering niet zuiver voor Allah zijn). Voorts zou hij niet betrokken moeten zijn met zichzelf, wat gelijkwaardig is aan egoïsme en arrogantie; volledig tegenovergesteld aan overgave en slavernij. Waarschijnlijk wijst het meervoudsvoornaamwoord - "wij" aanbidden - dit feit: het ontkent de individualiteit van de vereerder, aangezien hij omringd is door een massa mensen. Het zorgt dat hij ver verwijderd wordt van egoïsme, leidt tot nederigheid en verzwakt de tendens tot zelfbelang.

De verklaring van zijn dienaarschap met de woorden "U alleen aanbidden wij" is vrij van alle tekortkomingen, wat betreft zijn betekenis en Zuiverheid. Maar aangezien de dienaar de verering als zijn eigen handeling beschrijft, kan het ertoe leiden dat hij onafhankelijk denkt te zijn van het bestaan, macht en wil, terwijl hij in feite slechts een slaaf is en de slaaf bezit niets. Dit mogelijke misverstand wordt verholpen in de tweede zin, "en U alleen smeken wij om hulp". Het betekent: "wij schrijven de verering aan ons toe en doen deze bewering slechts met Uw hulp; wij zijn nooit onafhankelijk van U". Met andere woorden, het volledige vers, "U alleen aanbidden wij en U alleen smeken wij om hulp", heeft één enkele betekenis, namelijk "verering met zuiverheid van intentie". Waarschijnlijk is dat waarom beide zinnen dezelfde stijl hebben. Anders zou gezegd worden: "U aanbidden wij; help ons en leid ons". De stijl is veranderd in het volgende vers, "leid ons.." en de reden hiervoor zal later worden verklaard.

De gegeven verklaring verduidelijkt waarom de voornaamwoorden in dit vers van de derde naar de tweede persoon zijn veranderd; waarom ervoor gekozen is om het voorwerp ("U") vóór het werkwoord te plaatsen; waarom de verering in "aanbidden wij" wordt gebruikt zonder enige voorwaarde; waarom de vereerder anderen met hem in deze verklaring van trouw en verering omvat; waarom het tweede zinsdeel na het eerste nodig is; en waarom beide zinsdelen dezelfde bouw en stijl hebben. 

De geleerden hebben andere interessante kwesties over dit vers geschreven. De lezer wordt daarvoor geadviseerd om hun desbetreffende boeken te raadplegen. Allah is de crediteur van wie de schuld nooit kan worden terugbetaald.

© Copyright Ahlalbait Jongeren

 

Afdrukken