Volume 1: Soera Al-Faatihah, Verzen 6-7

In de naam van Allah, de Barmhartige de Genadevolle

Dit artikel is een onderdeel van de vertaling van Tafsir al-Mizan. Lees hier eerst het voorwoord!

Inhoud: 

Koran: ‘Leid ons op het rechte pad……noch dat der dwalenden.’  

Overleveringen 

De Sura:

أهدِنا ٱلصِر' ط  ٱلمســتَـقـِيـمَ (6) صِر' ط ٱلذِينَ أنعمتَ عَليِهم غَيرِ ٱلمَغضُوبِ عَليهِم وَلا ٱلضالِينَ

6. Leid ons op het rechte pad, 7. Het pad dergenen aan wie Gij gunsten hebt geschonken - niet dat van degenen op wie toorn is nedergedaald, noch dat der dwalenden.

COMMENTAAR:

Koran: ‘Leid ons op het rechte pad……noch dat der dwalenden’: 

De betekenis van "al-hidayah" ( اَلهِدَايَةُ= begeleiding) kan eenvoudig begrepen worden als wij eerst de betekenis van “het pad” in beschouwing nemen. "As-Sirat" ( اَلصِرَاطُ= pad) is synoniem met "at-tariq" (اَلطَرِيقُ) en "as-sabil" (اَلسبِيلُ). In deze verzen heeft Allah het pad aanbevolen dat recht is en die genomen wordt door degenen aan wie Allah Zijn beloningen en gunsten heeft verleend. Er wordt begeleiding  gevraagd naar dit rechte pad. En het is het uiteindelijke doel van de verering: de dienaar bidt tot zijn Heer dat zijn verering, schoon van alle onzuiverheden, in dit pad wordt uitgevoerd. 

Allah heeft in Zijn Boek vermeld dat Hij voor de mens en voor al Zijn wezens een pad heeft bepaald, waarop zij kunnen gaan handelen. Hij zegt: "O mens, gij moet ijverig naar uw Heer streven, dan zult gij Hem ontmoeten" (84:6); ...en tot Hem is aller terugkeer (64:3); ...Ziet toe, tot Allah is de terugkeer van alle dingen (42:53). Er zijn veel van dergelijke verzen en hiermee wordt getoond dat alles op een voorgeschreven pad handelt en dat hun uiteindelijke bestemming Allah betreft.

Voor zover het pad van belang is, heeft Allah gezegd dat er twee paden zijn en niet één: “Gelastte Ik u niet, o gij kinderen van Adam, dat gij Satan niet zoudt dienen, daar hij een openlijke vijand van u is, Maar dat gij Mij zoudt dienen?”; Dat was het rechte pad (36:60-61). Er is dus een recht pad en er is ook een ander pad. Opnieuw heeft hij gezegd: ..."Ik ben nabij. Ik verhoor het gebed van de smekeling, wanneer hij Mij aanroept. Daarom moeten zij naar Mij luisteren en in Mij geloven, opdat zij geleid zullen worden” (2:186); En uw Heer zegt: "Aanbidt Mij; Ik zal uw gebed verhoren. Maar zij die te hoogmoedig zijn om Mij te aanbidden, zullen veracht de hel binnengaan" (40:60). Het is duidelijk dat Allah dicht bij Zijn dienaren is en de meest dichtbijgelegen weg naar Hem is dat van verering en gebed. Vergelijk het met de beschrijving van zij die niet in hem geloven: ...zij worden aangeroepen vanaf een verre plaats (41:44). De positie van de ongelovigen is duidelijk, namelijk ver weg van Allah.

Er zijn zo twee paden naar Allah: dichtbijgelegen – het pad van de gelovigen - en ver weg – dat van anderen. Dit is het eerste verschil tussen de paden. 

Het tweede verschil: “Voorzeker, voor hen die Onze tekenen verloochenen en er zich hoogmoedig van afwenden, zullen de poorten van de Hemel niet worden geopend…” (7:40). Wat is de functie van een poort? Namelijk om geautoriseerde mensen door te laten en de ingang aan onbevoegden te versperren. Het vers toont aan dat er een passage is van een lager naar een hoger niveau. Anderzijds zegt Allah: “...en degene op wie Mijn toorn nederdaalt, gaat ten onder”(20:81). Het woord hier vertaald als "gaat ten onder" betekent letterlijk "zal vallen". Er is dus tevens een andere passage die van een hoger naar een lager niveau gaat. Ook zegt Hij: ...Maar wie ongeloof in ruil neemt voor geloof, is voorzeker van het rechte pad afgedwaald (2: 108). Allah gebruikt de term "polytheïsme" voor "afdwalen". 

Dienovereenkomstig zijn de mensen in drie categorieën verdeeld: de eerste categorie, het hogere niveau - zij geloven in de tekens van Allah en zijn niet arrogant voor Zijn verering. De tweede categorie, zij die naar de lagere niveaus ten onder gaan – op hen is de toorn van Allah gedaald. De derde categorie, zij die van het juiste pad afgedwaald zijn – zij zijn verdwaald. Het laatste vers heeft betrekking op deze drie categorieën: Het pad dergenen, aan wie Gij gunsten hebt geschonken - niet dat van hen, op wie toorn is nedergedaald, noch dat der dwalenden. 

Duidelijk is dat "het juiste pad" afzonderlijk is van de laatste twee paden. Het is het pad van de gelovigen die niet arrogant zijn. Tezelfdertijd toont het volgende vers aan dat het rechte pad zelf in diverse "verkeersstegen", manieren of takken verdeeld kan worden: ...Allah zal de gelovigen onder u en hen die kennis werd gegeven in rang verheffen… (58:11). Deze verklaring vergt wat uitwerking:

Elke vorm van afdwalen is polytheïsme en andersom, zoals uit de woorden van Allah geconcludeerd kan worden: ...Maar wie ongeloof in ruil neemt voor geloof, is voorzeker van het rechte pad afgedwaald (2:108). Dit onderwerp komt ook voor in het volgende vers: "Gelastte Ik u niet, o gij kinderen van Adam, dat gij Satan niet zoudt dienen, daar hij een openlijke vijand van u is; Maar dat gij Mij zoudt dienen?" Dat was het rechte pad. Toch deed hij een groot gedeelte uwer dwalen… (36:60-62). Eveneens beschouwt de Koran polytheïsme als onrechtvaardigheid en andersom, zoals duidelijk wordt uit de woorden die de Satan na het oordeel zal uiten tegen zijn aanhangers: ...“Ik verwerp dat gij mij voordien met Allah hebt vereenzelvigd. Er zal voor de onrechtvaardigen gewis een smartelijke straf zijn” (14:22). Vervolgens wordt onrechtvaardigheid beschouwd als afdwaling: Zij die geloven en hun geloof niet met onrechtvaardigheid vermengen - dezen zijn het, die vrede zullen hebben, want zij zijn recht geleid (6:82). Men zou moeten opmerken dat deze gelovigen recht zullen worden geleid en beschermd zullen worden tegen afdwaling of de daaruit resulterende straf, maar alleen als zij hun geloof niet mengen met onrechtvaardigheid en onredelijkheid.

Uit deze verzen komt duidelijk naar voren dat afdwalen, polytheïsme en onbillijkheid allen hetzelfde effect hebben; al deze drie zijn toevoegsels aan elkaar. Dat is waarom men zegt dat elk van deze door de andere twee identificeerbaar is. Voor alle praktische doeleinden zijn al deze één en hetzelfde, hoewel hun letterlijke betekenis verschillend kan zijn.

Het rechte pad verschilt met dat waar de anderen verkeerd zijn gegaan; het is een pad dat ver verwijderd is van polytheïsme en onrechtvaardigheid. In dit pad komen geen afdwalingen voor - ook niet in verborgen ideeën en geloven (bijvoorbeeld, ongeloof of de gedachten die door Allah worden afgekeurd), noch in handelingen of nalatigheid (als het begaan van een zonde of het nalaten van een goede daad). Het is het ware monotheïsme in geloof en daden. Bovengenoemd vers 6:82, is volledig hiermee in overeenstemming. Dit vers waarborgt veiligheid en belooft perfecte begeleiding. De belofte wordt geconcludeerd uit het feit dat het originele woord, hier vertaald als "recht geleid", substantief voorwerp is en de grammatici beweren dat een dergelijk zelfstandig naamwoord werkelijk voor toekomst wordt gebruikt. Dit is één eigenschap van het rechte pad.

Allah heeft degenen aan wie goddelijke gunsten verleend zijn, geïdentificeerd: En wie aldus Allah en deze boodschapper gehoorzaamt, zal zijn met degenen aan wie Allah Zijn zegeningen heeft geschonken, namelijk de profeten, de waarachtigen, de getuigen (martelaars) en de goeden en dezen zijn uitstekende metgezellen (4:69). Het geloof en de gehoorzaamheid zijn kort hiervoor verklaard in de volgende verzen: Maar neen, bij uw Heer, zij zullen geen gelovigen zijn voordat zij u (profeet) tot rechter maken over al hun geschillen en in hun hart geen aarzeling vinden aangaande hetgeen gij oordeelt en zij zich geheel en al onderwerpen. En indien Wij hen hadden geboden: "Wijdt u ten dode" of: "verlaat uw huizen" zouden zij het met uitzondering van weinigen hunner niet hebben gedaan en indien zij hetgeen hun gemaand was te doen, hadden gedaan, zou het voor hen zeker goed zijn geweest en het beste ter versterking (van hun geloof) (4:65-66). Zij die echt geloven, zijn werkelijk sterk in hun dienaarschap en overgave, in woorden en in daden; in het openbaar en in het geheim. Toch zullen dergelijke perfecte gelovigen in een rang geplaatst worden onder diegenen aan wie Allah zijn goedkeuring heeft verleend. Dat is waarom Allah heeft gezegd “zal zijn met...” en niet “zal zijn tot...”. Zij zullen met hen, maar niet tot hen behoren. Het wordt verder bekrachtigd door de laatste zin, "en de goeden en dezen zijn uitstekende metgezellen". De metgezellen zijn dus anders dan diegenen die met hen behoren.

Er is een ander enigszins gelijkaardig vers: En zij, die in Allah en Zijn boodschappers geloven, zijn de waarachtigen en de martelaren in de ogen van hun Heer; zij zullen hun beloning en hun licht ontvangen... (57:19). De gelovigen zullen in het hiernamaals dus in de rangen van de martelaren en de waarachtigen worden omvat. Het feit dat het in de volgende wereld zal gebeuren, wordt geconcludeerd uit de woorden "in de ogen van hun Heer" en "zij zullen hun beloning ontvangen". 

Degenen aan wie goddelijke gunsten verleend zijn, behoren tot de mensen van het rechte pad – met wiens verhouding het rechte pad wordt geïdentificeerd – en hebben een groter prestige en een hogere rang dan deze gelovigen die hun geloof en handelingen hebben gereinigd van het afdwalen, polytheïsme en onrechtvaardigheid. Deze verzen in overweging nemend, voelt men zeker dat deze laatste groep gelovigen (met de beschreven kwaliteiten) zijn volmaaktheid niet heeft voltooid; hij is niet tot zijn eind gekomen. Had deze groep zijn termijn voltooid, dan zou deze beschouwd worden tot (en niet "met") degenen aan wie goddelijke gunsten zijn verleend. Deze gelovigen zouden dan deel uitmaken van degenen aan wie goddelijke gunsten verleend zijn in plaats van geen deel uitmaken van hen maar wel met hen behoren. Degenen aan wie goddelijke gunsten verleend zijn, behoren tot de groep waaraan Allah kennis heeft gegeven, zoals Hij zegt: ...Allah zal de gelovigen onder u en hen die kennis werd gegeven in rang verheffen… (58:11). Hier wordt duidelijk een onderscheid gemaakt tussen de gelovigen en degenen aan wie goddelijke gunsten zijn verleend.

De mensen van het rechte pad worden beloond met uitstekende beloningen die kostbaarder zijn dan die van het volledige geloof en het perfecte geloof. Dit is de tweede eigenschap van het rechte pad. 

Allah vermeldt herhaaldelijk as-sirat (pad) en as-sabil (manier) in de Koran; maar hij heeft aan zichzelf maar één recht pad toegeschreven, hoewel hij verscheidene manieren aan zichzelf heeft toegeschreven: “En zij, die naar Ons streven, - Wij zullen hen zeker op Onze wegen leiden.” Voorwaar, Allah is met hen die goed doen (29:69).

Hij heeft nooit "het rechte pad" aan één van zijn dienaren toegeschreven. De enige uitzondering is dit vers waar het aan degenen toegeschreven wordt aan wie goddelijke gunsten verleend zijn, maar Hij schrijft vaak "de weg" toe aan één of andere van Zijn gekozen dienaren: Zeg: "Dit is mijn weg: ik roep tot Allah in zeker weten, ik en mijn volgelingen…” (12:108); “...en volg de weg van hem die zich tot Mij richt” (31:15); ...de weg die de gelovigen volgen… (4:115). Dit is een aanwijzing dat "de weg" iets anders is dan "het rechte pad". Er kunnen diverse en verschillende wegen zijn die door diverse gekozen dienaren worden genomen gebaseerd op de weg van verering en overgave, maar "het rechte pad" is er slechts één, wat Allah in deze woorden uitdrukt: Er is van Allah inderdaad een licht en een duidelijk Boek tot u gekomen. En Allah leidt daarmede degenen die Zijn welbehagen zoeken op de wegen van vrede en leidt hen uit de duisternis tot het licht door Zijn gebod en leidt hen naar het rechte pad (5:15 -16). Zie hoe het vers naar "de wegen" (meervoud), en naar "het rechte pad" (enkelvoud) verwijst. Hier kunnen twee verklaringen voor zijn: of "het rechte pad" is hetzelfde als "de wegen" of "de wegen" treden in hun verdere beloop samen toe en voegen zich vervolgens bij het rechte pad ineen. 

Er is een ander verschil tussen het rechte pad en de weg. Allah zegt: En de meesten hunner geloven niet in Allah, zonder medegoden aan Hem toe te schrijven (12:106). Merk op hoe over de gelovigen gezegd wordt dat ze anderen met Allah associëren. Het toont aan dat één of ander soort polytheïsme (namelijk afdwaling) met geloof kan co-existeren (en het geloof is een "weg"); m.a.w. kan de weg met polytheïsme co-existeren. Het rechte pad kan dit echter niet doen, omdat het niet het pad is van zij die verkeerd zijn gegaan. 

Elk van deze wegen heeft enige voortreffelijkheid of tekortkomingen, maar dit geldt niet voor het rechte pad. Elke weg is een deel van het rechte pad, maar verschilt ten opzichte van de andere wegen. Dit kan geconcludeerd worden uit de bovengenoemde verzen evenals uit andere verzen. Bijvoorbeeld, Allah zegt: “…Maar dat gij Mij zoudt dienen?” Dat was het rechte pad (36:61); Zeg: "Wat mij betreft, mijn Heer heeft mij op het rechte pad geleid – een goed geloof, de godsdienst van Abraham, de oprechte. En hij behoorde niet tot de afgodendienaren" (6:161). De verering en de godsdienst zijn gemeenschappelijk voor alle wegen en zij zijn tevens "het rechte pad". De relatie van het rechte pad en de wegen van Allah is dat van de ziel en het lichaam. Het lichaam ondergaat tijdens het leven talloze veranderingen, variërend van dag tot dag – van kleutertijd tot de kinderjaren, van adolescentie tot de jeugd, van middelbare leeftijd tot de ouderdom. Maar de ziel blijft hetzelfde en is in elk stadium één met het lichaam. Soms worden aan het lichaam ongewenste gevolgen opgelegd, die de ziel nooit zou goedkeuren als het aan de ziel lag. Maar de ziel – de schepping van Allah, waarop Hij de mens creëerde – verslechtert nooit. Toch blijft het lichaam in al deze staten één met de ziel. Eveneens zijn de wegen van Allah één met het rechte pad. Echter, een weg – zij het die van de gelovigen, van de aanhangers van de Profeet, van hen die zich naar Allah richten of een andere weg – lijdt soms aan één of andere soort verslechtering, hoewel het rechte pad van alle tekorten en onvolmaaktheden immuun is. U heeft gezien hoe één van de wegen het geloof soms met polytheïsme en het afdwalen combineert, maar het rechte pad doet dit niet. Kort uiteengezet zijn de wegen van diverse rangen: dichtbijgelegen of ver, veilig of onveilig, schoon of vuil. Maar alle wegen bevinden zich in het rechte pad, of laten we zeggen zijn één met het rechte pad. 

Allah heeft dit feit, in een gelijkenis van waarheid en valsheid, in deze woorden vermeld: Hij zendt water van de hemel neder, zodat stromen overeenkomstig hun afmeting vloeien en de vloed zwellend schuim draagt. En van hetgeen zij (de mensen) in het vuur verhitten om sieraden en gereedschappen te vervaardigen komt een soortgelijk schuim. Zo licht Allah de waarheid en de valsheid toe. Wat nu het schuim betreft, het gaat als uitschot weg, maar wat betreft hetgeen de mensen tot nut strekt, dit blijft op aarde. Zo geeft Allah de gelijkenissen (13:17). Het toont duidelijk aan dat de harten en het intellect in hun capaciteiten en hoedanigheid verschillen om de goddelijke kennis en de geestelijke perfectie te ontvangen, hoewel allen van dezelfde goddelijke voeding deelnemen. 

Dit was de derde eigenschap van het rechte pad. 

Uit de bovenstaande analyse wordt duidelijk dat het rechte pad een soort controlemechanisme is van alle wegen die tot Allah leiden. Wij kunnen zeggen dat een weg die tot Allah leidt een mens tot Hem leidt zolang het één met het rechte pad blijft, terwijl het rechte pad onvoorwaardelijk tot Allah leidt, zonder voorwaarden. Dat is waarom Allah het "as-siratu ‘l-mustaqim" (اَلمُستقِيْمُ= het rechte pad) heeft genoemd. As-Sirat betekent ‘een duidelijk pad’ en is afgeleid uit "sarattu sartan" ( سَرَطتُ سَرطَا= ik slikte het volledig in); met andere woorden, dit duidelijke pad slikt zijn volgers volledig in, zonder hen uit te laten gaan; "al-Mustaqim" (اَلمُستَقِيْمُ= rechtstreeks).

De letterlijke betekenis hiervan betreft een persoon die zich op zijn benen bevindt en volledige controle heeft over zichzelf evenals over de dingen die aan hem vastzitten. Met andere woorden, het is een ding dat niet aan verandering of variatie wordt onderworpen. Aldus "as-siratu ‘l-mustaqim" (= het rechte pad dat nooit faalt om de volger te leiden tot aan zijn bestemming). Allah zegt: Daarom, zij die in Allah geloven en aan Hem vasthouden, zal Hij zeker tot Zijn barmhartigheid en genade toelaten en hen op het rechte pad tot Zich voeren (4:175). Overduidelijk faalt deze begeleiding nooit; deze slaagt altijd. Ook heeft Hij gezegd: Wie Allah ook wenst te leiden, Hij verruimt zijn hart voor de Islam en wie Hij wenst te laten dwalen, zijn hart maakt Hij eng en gesloten alsof hij een hoogte aan het beklimmen was. Zo legt Allah degenen die niet geloven onreinheid op. En dit is het rechtleidende pad van uw Heer. Wij hebben de tekenen inderdaad verduidelijkt voor een volk dat er lering uit wil trekken (6:125-126). Dit is namelijk het pad van Allah dat nooit verandert noch faalt om zijn bestemming te bereiken. Opnieuw zegt hij: God zeide: "Dit is een pad, rechtstreeks tot Mij.""Gij zult over Mijn dienaren zeker geen macht hebben, met uitzondering van de dwalenden die u volgen" (15:41-42). Het vers verklaart dat dit Zijn besloten pad is dat nooit varieert. Op deze wijze wordt de opvatting van het volgende vers bevestigd: Gij zult in de handelwijze van Allah nooit een verandering aantreffen, noch zult gij de handelwijze van Allah ooit gewijzigd vinden (35:43). 

Het bovenstaande vertoog heeft de volgende punten duidelijk gemaakt: 

Eerste: er zijn diverse wegen naar Allah die alle ten opzichte van elkaar in perfectie, gemak en zachtheid verschillen. Het hangt allemaal af van de nabijheid of verafgelegenheid van de basiswerkelijkheid, van het rechte pad, zoals de weg van overgave, van geloof, van verering, van zuiverheid van intentie of van nederigheid jegens Allah. Enkele wegen die in de tegenovergestelde richting leiden, zijn ongeloof, polytheïsme, ontrouw, grensoverschrijdendheid, het begaan van zonden enz. Allah heeft gezegd: En voor allen zijn er graden overeenkomstig met hetgeen zij doen, opdat Allah hun daden volledig moge belonen en hen zal geen onrecht worden aangedaan (46:19).

Hetzelfde is het geval met de geestelijke kennis die het menselijke intellect ontvangt van Allah. Dit varieert al naar gelang de mentale en geestelijke capaciteit van de ontvangers en is getint door kleuren van visies van de aanschouwer. Dit feit wordt vertoond in de Koran in een eerder vermelde gelijkenis: Hij zendt water van de hemel neder, zodat stromen overeenkomstig hun afmeting vloeien en de vloed zwellend schuim draagt… (13:17).

Tweede: het rechte pad controleert alle wegen. Eveneens genieten de mensen van het rechte pad (die stevig door Allah daarin zijn gegrondvest) van volledig gezag om de andere dienaren van Allah te leiden. Allah zegt: …en de goeden en dezen zijn uitstekende metgezellen. (4:69); Uw vrienden zijn slechts Allah en Zijn boodschapper en de gelovigen die het gebed houden en de Zakaat betalen terwijl zij neerbuigen (5:55). Het laatstgenoemde vers werd geopenbaard aangaande Imam Ali, de Leider van de gelovigen (a), en zoals in de overleveringen van al-Mutawatir wordt gezegd; en hij (a) was de eerste die deze deur opende in de Islam. 

Derde: de inbreng van de begeleiding naar de weg hangt af van de betekenis van de weg zelf. Al-Hidaya ( اَلٌهِدَايَةُ) betekent het leiden. Het aanvaardt twee voorwerpen, ofwel zonder voorzetsel (zoals in de taal van Hijaz) of met ila ( اِلى= voorzetsel) vóór het tweede voorwerp (zoals in de taal van de andere stammen). Dit detail is gegeven in as-Sihah van al-Jawhari, en het is duidelijk correct.

Alvorens we verdergaan, dient een verkeerd begrip verhelderd te worden. Sommigen denken dat de betekenis van begeleiding verandert, afhankelijk van het feit of het tweede voorwerp wel of niet voorafgegaan is door het voorzetsel ‘ila’. Als er geen desbetreffend voorzetsel is, dan betekent ‘begeleiding’ volgens hen ‘naar de bestemming brengen’ en als het wel door ila is voorafgegaan, dan wordt het aangeduid met ‘het pad wijzen’. Zij gebruiken daarvoor de volgende verzen: Waarlijk, gij zult hen die gij wilt, niet kunnen leiden, maar Allah leidt wie Hij wil; en Hij kent hen het beste die geleid willen worden (28:56). Dit vers, waarin de werkwoorden "niet kunnen leiden" en "leiden" zonder voorzetsel zijn gebruikt, zegt dat de Profeet niet kon leiden wie hij behaagde te leiden. Maar men weet dat hij gedurende zijn leven de mensen geleid heeft door hen het pad van Allah te wijzen. Daarom moet de ontkenning betreffende het leiden een andere betekenis hebben. Wat het vers zegt, is dit: u kunt niet wie u behaagt naar het spirituele doel brengen, maar het is Allah die diegene naar de bestemming brengt die Hij behaagt. Dit verschil in betekenis wordt verhelderd in de verzen: En Wij zouden hen zeker op het rechte pad hebben geleid (4:68). Het werkwoord (in de Arabische tekst) is gebruikt zonder een voorzetsel en het verwijst naar de goddelijke begeleiding – d.w.z. naar de bestemming brengen. En Allah spreekt de Profeet met deze woorden aan: ...Voorzeker, gij leidt de mens zeker naar het rechte pad (42:52). Hier wordt het werkwoord gevolgd door ‘ila’ en wordt de taak van de begeleiding aan de Profeet toegeschreven in de betekenis van het wijzen van de weg. Volgens hun beredenering tonen de drie samengebrachte verzen aan dat wanneer de begeleiding in de betekenis ‘naar de bestemming brengen’ gebruikt wordt, het tweede voorwerp geen voorzetsel aanvaardt; maar wanneer het gebruikt wordt in de betekenis ‘het pad wijzen’, wordt het bovengenoemde voorwerp voorafgegaan door ‘ila’.

 

Maar dit begrip wordt niet ondersteund door de Koran. Allah citeert de gelovige van de mensen van Farao, zeggend: En de gelovige zeide: "O, mijn volk, volg mij, ik zal u op het pad van leiding voeren (40:38). Hier heeft de Arabische tekst geen voorzetsel en toch heeft het niet de betekenis ‘naar de bestemming brengen’; het toont slechts het wijzen van de weg aan.

 

Wat in het vers 28:56 is vermeld (Waarlijk, gij zult hen die gij wilt, niet kunnen leiden, maar Allah leidt wie Hij wil) is de werkelijkheid of de perfectie van begeleiding. Het vers toont aan dat de Profeet de perfecte begeleiding niet aan zijn mensen kon verlenen, de werkelijkheid van begeleiding, aangezien het een taak was die Allah voor zich heeft gereserveerd.

 

Al met al, de betekenis hangt af van de begeleiding en niet van het voorzetsel dat wel of niet aan het tweede voorwerp voorafgaat. In beide gevallen is de betekenis hetzelfde.

 

Al-Hidayah betekent het leiden, het wijzen van de bestemming door de wegen te tonen of laten we zeggen naar de bestemming toe te brengen. De begeleiding is in werkelijkheid voor Allah gereserveerd en Hij begeleidt Zijn dienaren door dergelijke oorzaken te creëren waardoor Hij hen naar de bestemming wijst en hen naar hun spirituele doel leidt. Allah zegt: Wie Allah ook wenst te leiden, Hij verruimt zijn hart voor de Islam… (6:125); … waarbij de huid van hen die hun Heer vrezen ineenkrimpt, daarna ontspant zich hun huid en hun hart wordt zacht bij de gedachte aan Allah. Dit is de leiding van Allah, Hij leidt daarmee wie Hij wil… (39:23). Het werkwoord "wordt zacht" (in de Arabische tekst) wordt gevolgd door het voorzetsel "bij", wat het werkwoord een schaduw van betekenis van genegenheid en rust geeft. De begeleiding betekent dus dat Allah gesteldheid in het hart creëert, waardoor het inwijdt, aanvaardt en aanzet tot het herinneren van Allah, waarbij rust wordt uitgestraald.

 

Eerder is vermeld dat er vele wegen zijn die tot Allah leiden. Derhalve zou de begeleiding voor één weg verschillen met die voor een ander. Elke weg heeft zijn speciale begeleiding. Deze variatie is aangeduid in het vers: “En zij, die naar Ons streven, Wij zullen hen zeker op Onze wegen leiden.” Voorwaar, Allah is met hen die goed doen (29:69). De ene mens streeft "op de weg van Allah" en een andere streeft "voor Allah". Er is een groot verschil tussen deze twee. De eerste probeert de weg van alle gevaren en blokkades veilig en vrij te houden; bij de tweede wordt de volledige aandacht slechts op Allah gevestigd en het is deze mens die in dit vers wordt geprezen – hij streeft hard voor Allah. Zodoende helpt Allah hem en begeleidt hem op de weg passend bij zijn capaciteit en kracht (van de mens); en Allah volhoudt de begeleiding van de ene weg naar de andere tot Hij hem uitsluitend aan zich verbindt.

 

Vierde: het rechte pad is behouden in de wegen van Allah – de wegen die van diverse rangen en niveaus zijn. Allah leidt de mens daar naartoe en de mens wordt zo goed geleid. Zoals hierboven vermeld, kan Allah een mens leiden van de ene naar de andere weg die van een hogere rang is en dan weer naar een andere weg met een nog hogere rang. Het gebed in dit vers, "Leid ons op het rechte pad" (geopenbaard namens degenen die Allah al naar Zijn verering heeft geleid), verwijst naar dit feit. Als wij dit punt in beschouwing nemen, is er geen ruimte voor een bezwaar als het volgende: de persoon die dit gebed verricht, wordt al goed geleid . Hoe kan hij opnieuw voor leiding bidden? Het zou een poging zijn om iets te verkrijgen dat al in handen is en dat is onmogelijk. De aanbidder is al op het rechte pad – hoe kan hij dan bidden om opnieuw op het rechte pad geleid te worden? Is er hier geen sprake van een onmogelijkheid?

 

Maar de verklaring die door ons wordt gegeven, weerspreekt dergelijke bezwaren en werpt nieuw licht op dit misverstand.

 

Een ander bezwaar: onze wet is de meest perfecte en de uitvoerigste van alle wetten die door Allah zijn verzonden sinds de dageraad van het mensdom. Waarom zouden wij van Allah vragen om ons op het pad te leiden van degenen aan wie hij gunsten heeft verleend?

 

Antwoord: het is algemeen bekend dat de wet die door Mohammed (s) is ingevoerd, volmaakter is dan alle andere wetten van de vorige profeten. Maar het betekent niet noodzakelijk dat iedereen die deze wet volgt, volmaakter is dan degenen die de vorige wetten volgden. Een gemiddelde aanhanger van de wet van Mohammed (s) kan Nuh (a) of lbrahim (a) niet overtreffen, hoewel hun wetten voor de Islamitische wet werden ingevoerd. Het is één ding om een wet goed te keuren en te volgen; het is iets anders om tevens door totale overgave daadwerkelijk de spirituele perfectie te bereiken en door middel van deze wet een volmaakt mens te worden. Een gelovige van de vorige naties die een hoog spiritueel niveau bereikte, dat een spiegel van de goddelijke attributen werd, is zeker beter en volmaakter dan een aanhanger van deze wet die deze staat van spirituele perfectie niet bereikt, hoewel de laatstgenoemde de meest perfecte en uitvoerigste wet volgt, d.w.z. de wet van Mohammad (s). Daarom is er geen verwijt als een gelovige van een lagere rang, hoewel hij een perfecte wet volgt, bidt om geholpen te worden het niveau van een gelovige van een hogere rang te bereiken, hoewel deze een minder perfecte wet volgt.

 

Een exegeet heeft op een niet helemaal juiste manier geantwoord op het bovengenoemde bezwaar. Zo zei hij: de godsdienst van Allah is één, namelijk de Islam. De fundamentele waarheden – het geloof in Eén God, het Profeetschap en de Dag des Oordeels en dat alles uit dit geloof voortvloeit – zijn hetzelfde in alle wetten en revelaties die door Allah verzonden zijn. De wet van de Islam heeft een toegevoegd onderscheid, in zoverre dat het alle aspecten van het menselijke leven behandelt en hierbij dus het uitvoerigst is. Er wordt meer nadruk gelegd op het publieke welzijn. Voorts worden zijn fundamenten gebaseerd op het redeneren – in alle vormen: de logica, de aansporing en de juiste argumentatie.

 

Alle goddelijke godsdiensten zijn dus hetzelfde en de fundamentele waarheden zijn voor alle gemeenschappelijk. Eerdere volkeren zijn ons op dit pad voorafgegaan. Daarom heeft Allah ons de opdracht gegeven om hun zaken te onderzoeken, lessen van hen te nemen en hen te volgen naar de geestelijke perfectie.

 

De auteur zegt: het principe waarop dit antwoord is gebaseerd, is tegen de principes die ons leiden in de exegese van de Koran. Het antwoord veronderstelt dat de werkelijkheid van de fundamentele waarheden op hetzelfde niveau in alle godsdiensten is; dat er geen verschil in hun rangen is; dat de spirituele perfectie en de godsdienstige deugden overal van dezelfde kwaliteit zijn. Volgens deze visie is de hoogst gerangschikte Profeet gelijk aan de laagste soort van gelovigen in zijn bestaan en natuurlijke perfectie – wat betreft zijn verwezenlijking. Het eventuele verschil is gebaseerd op de subjectieve vooruitzichten van de shari'ah en niet op het gebied van verwezenlijking. Volgens die opvatting is dit geval gelijkaardig aan dat van een koning en zijn volk: zij zijn niet verschillend in hun menselijk bestaan. Het verschil is in hun subjectieve en veronderstelde posities die slechts door mensen worden bepaald en die geen onafhankelijk bestaan hebben.

 

Deze omgekeerde denkwijze is gebaseerd op de theorie van het materialisme, die onderwijst dat niets bestaat behalve de materie; metafysische "kwesties" hebben helemaal geen bestaan (of wij zijn tenminste niet bij machte om te weten dat deze bestaan). De enige uitzondering is God en wij geloven in Zijn bestaan vanwege logisch bewijsmateriaal.

 

Wie deze visie steunden, deden dit omdat onder de invloed van de natuurwetenschappen zij al hun vertrouwen in hun vijf zintuigen plaatsten. Of omdat zij dachten dat de algemene zintuigen voldoende waren voor het verklaren van de goddelijke woorden, waardoor het veronachtzaamd werd om in de Koran te mediteren. Als God het wilt, zullen we deze onderwerp elders nader toelichten.

 

Vijfde: de mensen van het rechte pad hebben een hogere rang dan anderen en hun pad is superieur aan de andere wegen. Dit is vanwege hun kennis en niet vanwege hun positieve daden. Zij hebben kennis van goddelijke attributen die voor anderen verborgen is (wij hebben eerder verklaard dat de perfectie van positieve daden tevens op enkele inferieure wegen wordt gevonden. Daarom kunnen de daden niet het criterium zijn waardoor de mensen van het rechte pad meer dan de rest begunstigd zijn met voortreffelijkheid). De vraag rijst over wat die kennis is en hoe deze verworven wordt. Wij zullen deze vragen behandelen wanneer wij het vers 13:17 zullen verklaren (Hij zendt water van de hemel neder, zodat stromen overeenkomstig hun afmeting vloeien en de vloed zwellend schuim draagt).

 

De volgende verzen wijzen op dit feit: Allah zal de gelovigen onder u en hen die kennis werd gegeven in rang verheffen (58:11); Tot Hem stijgt het reine woord en de goede daad verheft het (tot Hem) (35:10). Wat naar Allah stijgt, zijn de goede woorden, d.w.z. het ware geloof en kennis; de goede daden heffen de goede woorden en helpen deze in hun beklimming, zonder zelf omhoog te gaan. Wij zullen dit vers volledig bespreken wanneer wij het bereiken.

 

OVERLEVERINGEN

 

 

 

Al-Sadiq (a) heeft over de betekenis van de verering het volgende gezegd: "Er zijn drie vormen van verering: sommige mensen aanbidden Allah, omdat zij Hem vrezen – dit is de verering van de slaven; en een groep aanbidt Allah, Heilig en groot is Hij, strevend naar een beloning – dit is de verering van de handelaren; en een groep aanbidt Allah, Machtig en Groot is hij, wegens (Zijn) liefde - en dit is de verering van de edele personen en deze behoort tot de beste aanbidding." (al-Kafi)

 

 

 

“Waarlijk sommige mensen aanbidden Allah verlangend (naar Zijn beloning) – dit is de verering van de handelaren; en sommige mensen aanbidden Allah uit vrees (voor Zijn straf) – dit is de verering van de slaven; en een groep aanbidt Allah als dankbetuiging (aan Hem), dit is de verering van de edele mensen.” (Nahju 'I-balaghah)

 

 

 

Al-Sadiq (a) zei: 'Waarlijk de mensen aanbidden Allah op drie manieren: één groep aanbidt Hem met de wens om beloond te worden, en dit is de verering van de begerige mensen, welke onder hebzucht wordt volstaan; en anderen aanbidden Hem uit angst voor de Brand, en dit is de verering van de slaven, welke op vrees gebaseerd is; maar ik aanbid Hem uit liefde, Machtig en Groot is Hij – en dit is de verering van de edele mensen. (Het is) Omdat Allah heeft gezegd: …en zij zullen op die Dag veilig zijn voor schrik (27:89); en Hij heeft gezegd: Zeg: "Indien gij Allah liefhebt, volgt mij, Allah zal u liefhebben en uw  zonden vergeven. Allah is Vergevensgezind, Genadig." (3:31). Daarom zal iemand die door Allah geliefd is, veilig zijn. Dit is een verborgen positie die enkel voor de mensen bestemd is die door Allah gezuiverd zijn." (al-Ilal, al-Majalis and al-Khisal)

 

 

 

De auteur zegt: de betekenis van deze overleveringen kan begrepen worden uit het voorafgegane commentaar. De Imams (van de Ahlalbait, a) hebben verscheidene malen de verering van edele mensen de ene keer aan dankbaarheid en de andere keer aan liefde toegeschreven, omdat in de definitieve analyse beiden één en hetzelfde zijn. Met de dankbaarheid en dank wordt een waarde toegekend aan de ontvangen gulle giften. Het is de dank uit verering die aan Allah moet worden betuigd, aangezien alleen Hij het verdient om aanbeden te worden. Allah wordt aanbeden omdat hij Allah is. Dat wil zeggen dat alleen Hij alle eigenschappen van schoonheid en glorie heeft. Hij, van alle dingen, is mooi. Alleen Hij is geliefd om zichzelf. Wat is liefde? Het is een neiging en aantrekking naar schoonheid. Wij zeggen: Hij wordt aanbeden omdat Hij Hij is; Wij kunnen hetzelfde idee uitdrukken als wij zeggen: Hij wordt aanbeden omdat hij mooi en geliefd is. Weer kan hetzelfde thema worden verklaard door te zeggen dat Hij aanbeden wordt, omdat alle gunsten aan Hem worden toegeschreven en Hij met verering gedankt wordt. Alle drie de uitdrukkingen zijn op hetzelfde gebaseerd.

 

 

 

In een reeks Soennitische overleveringen wordt vermeld dat al-Sadiq (a) het vers "U alleen aanbidden wij…" verklaarde met deze woorden: “Wij vragen niemand buiten U om en wij aanbidden U niet door substitutie en plaatsvervanging, zoals zij die over U onwetend zijn en ver van U verwijderd zijn.”

 

 

 

De auteur zegt: deze overlevering maakt duidelijk wat in het commentaar is verklaard, namelijk dat aanbidding aanwezigheid (van het hart) en zuiverheid (van de intentie) vereist, wat geen afleidingshandeling als plaatsvervanging toestaat.

 

 

 

Al-Sadiq (a) heeft in een overlevering gezegd: "En wie denkt dat hij Allah aanbidt door Zijn eigenschappen zonder de bewustwording van Hem, verwijst hij (zijn verering) naar een afwezige; en wie denkt dat hij zowel de attributen als de persoon (met deze attributen) aanbidt, dan wordt er een inbreuk gedaan op het monotheïsme, omdat het attribuut buiten de persoon is; en wie denkt dat hij de persoon aan de attributen toeschrijft, dan kleineert hij de Grote.” (Tuhafu 'I-'uqul)

 

 

 

Al-Sadiq (a) verklaarde het vers “Leid ons op het rechte pad” met deze woorden: "Leid ons om aan het pad vastgehecht te worden, het pad dat tot Uw liefde leidt en naar Uw tuin brengt en dat ons verhindert om onze verlangens te volgen (tenzij wij geruïneerd zijn) en aan onze meningen vast te klampen (tenzij wij worden vernietigd)." (Ma’ani 'I-akhbar)

 

 

 

Hetzelfde boek citeert Imam Ali (a), die over dit vers zegt: “Zet voor ons Uw hulp voort waarmee wij U in onze afgelopen dagen hebben gehoorzaamd, zodat wij U in onze komende dagen blijven gehoorzamen.”

 

 

 

De auteur zegt: de twee overleveringen benadrukken twee aspecten van het antwoord van het eerder vermelde bezwaar. De eerste overlevering bekijkt het verschil in de rangen van begeleiding en de tweede overlevering bekijkt de eenheid van de begeleiding in zijn werkelijkheid.

 

 

 

Ma'ani 'I-akhbar citeert weer Imam Ali (a), waarin hij zegt: "Het rechte pad in deze wereld is deze die ontoereikend is voor excessen en boven alle tekortkomingen opgaat, en recht blijft; en in de volgende wereld is het een pad van de gelovigen dat hen naar de Tuin leidt."

 

 

 

Hetzelfde boek citeert dezelfde Imam, die het vers “Het pad dergenen aan wie Gij gunsten hebt geschonken” als volgt verklaart: "Zeg: Leid ons naar het pad van degenen aan wie U gunsten hebt geschonken door hen voor Uw godsdienst en Uw gehoorzaamheid te versterken – niet die van degenen aan wie U rijkdom en gezondheid verleende, omdat dergelijke dingen soms zelfs aan een ongelovige of aan een zondige worden gegeven." (Toen zei hij: "En degenen (verleend met goddelijke gunsten) zijn deze, over wie Allah zegt: En wie aldus Allah en deze boodschapper gehoorzaamt, zal zijn onder degenen aan wie Allah Zijn zegeningen heeft geschonken, namelijk de profeten, de waarachtigen, de getuigen (martelaars) en de goeden en dezen zijn uitstekende metgezellen (4:69).

 

 

 

Al-Rida (a) overlevert via zijn voorvaders dat Imam Ali (a) zei: "Ik hoorde de Boodschapper van Allah zeggen: Allah, Machtig en Groot is hij, heeft gezegd: "Ik heb het Begin van het Boek verdeeld onder Mij en Mijn dienaar; de ene helft is voor Mij en de (andere) helft is voor Mijn dienaar. En Mijn dienaar zal krijgen wat hij vraagt. Wanneer de dienaar zegt: In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle, dan zegt Allah, groot is Zijn Glorie: “Mijn dienaar is met Mijn naam begonnen, dan is het vastbesloten dat ik zijn handelingen zou moeten voltooien en hem in zijn zaken zou moeten zegenen.” En wanneer hij zegt: Alle lof zij Allah, de Heer der Werelden, zegt Allah, Groot is Zijn Glorie: "Mijn dienaar heeft me geprijsd en hij weet dat de gulle giften die hem tegemoetkomen van mij zijn en dat door Mijn gunst tegenslagen bij hem voorkomen zijn. (O Mijn engelen!) Ik benoem u als Mijn getuigen dat ik voor hem de gunsten van de volgende wereld aan die van deze wereld zal toevoegen en voor hem de rampen van de volgende wereld zal voorkomen aangezien ik voor hem de rampen van deze wereld heb voorkomen." En wanneer hij zegt: De Barmhartige, de Genadevolle, zegt, Allah, Groot is Zijn Glorie: "Mijn dienaar heeft mij bewezen dat ik de Barmhartige en de Genadevolle ben. Ik maak u Mijn getuige dat ik zeker zijn aandeel in Mijn genade zal vergroten en zijn deel van Mijn beloningen zal vergroten. En wanneer hij zegt: Meester van de Dag des Oordeels, zegt Allah de Almachtige: "Ik maak u Mijn getuige dat, aangezien hij heeft erkend dat ik de Meester van de Dag des Oordeels ben, ik zijn rekening (voor hem) op de Dag van de Rekening zeker gemakkelijker zal maken en Ik zal zeker zijn goede handelingen goedkeuren en zijn zondes vergeven." En wanneer hij zegt: U alleen aanbidden wij, zegt Allah, Machtig en Groot is hij: "Mijn dienaar vertelt de waarheid dat hij slechts mij aanbidt. Wees Mijn getuige dat ik hem voor zijn verering zeker een beloning zal geven, die (voorwerp van) afgunst zal zijn voor iedereen die zich tegen hem verzet wanneer hij Mij aanbidt." En wanneer hij zegt: en U alleen smeken wij om hulp, zegt Allah, de Almachtige: "Mijn dienaar heeft bij mij gesmeekt voor hulp en bij mij heeft hij een toevluchtsoord gezocht. Wees Mijn getuige dat ik hem zeker in zijn zaken zal helpen en hem in zijn moeilijkheden zal helpen en hem zal bijstaan bij catastrofes." En wanneer hij zegt: Leid ons op het rechte pad…, zegt Allah, Machtig en Groot is hij: "Dit (deel) is voor Mijn dienaar en Mijn dienaar zal krijgen waar hij naar vraagt. En Ik heb (het gebed van) Mijn dienaar verhoord en hem gegeven waar hij op had gehoopt en hem beschermd waar hij bang voor is." ('Uyunu 'I-akhbar)

 

De auteur zegt: as-Saduq heeft in ‘Ilalu 'sh-shara'i' een soortgelijke overlevering van al-Rida (a) overgeleverd. De overlevering verklaart het hoofdstuk van ‘Het Begin’ (Al-Fatihah) in het kader van het dagelijkse gebed. Het bevestigt verder het eerder vermelde feit dat deze goddelijke openbaring verzonden is namens de dienaren van Allah, om hen de manieren van dienaarschap te onderwijzen; om hen te tonen hoe ze God moeten prijzen en hun loyaliteit aan Hem moeten verklaren. Het is een hoofdstuk dat vooral voor verering gemaakt is en geen ander hoofdstuk is in dit opzicht hetzelfde. Bijvoorbeeld:

 

1. Het volledige hoofdstuk is een goddelijke toespraak, die namens Zijn dienaar wordt geopenbaard, zodat zijn dienaar het kan reciteren wanneer hij zich in een positie bevindt om God te aanbidden.

 

2. Het is in twee delen verdeeld: één voor Allah en het andere voor de dienaar.

 

3. Het bevat, ondanks zijn beknoptheid, alle wijsheid van de Koran. De Koran is een enorme schat van fundamentele waarheden, morele waarden en de uitvoerigste shari'ah, wat uit regels van verering en wederzijdse transacties bestaat, evenals uit de straf en burgerlijke statuten. Verder is het een waardevolle mijn van goddelijke beloften en waarschuwingen, verhalen van vorige volkeren evenals gelijkenissen en morele lessen. Maar ondanks deze uitgebreide omvang is al dit onderwijs herleidbaar tot vier fundamentele waarheden: eenheid van God, het Profeetschap, de Wederopstanding (met al zijn details) en de leiding van de mensheid naar zijn zaligheid in deze wereld evenals in het volgende. Het is onnodig om te herhalen dat dit hoofdstuk al deze basiswerkelijkheden bevat, in deze zeer korte en tezelfdertijd zeer welsprekende zin.

 

Het is toepasselijk om de schoonheid, glorie en spiritualiteit van dit hoofdstuk, dat in de gebeden van de Moslims gebruikt wordt, te vergelijken met het gebed van God, dat door de Christenen in hun gebed wordt gebruikt:

 

9Onze Vader in hemel, helpt ons om uw naam te eren. 10Kom en zet uw koninkrijk op, zodat iedereen ter wereld u zal uitvoeren, aangezien u in hemel wordt uitgevoerd. 11Geef ons ons voedsel voor vandaag. 12Vergeef ons voor verkeerd doen, aangezien wij anderen vergeven. 13Houd ons van verleiding en verlos ons van kwaad. (Matthew 6:9-13)

 

Denk diep na over het onderwijs in deze zinnen, die van goddelijke openbaring verondersteld worden, en zie welke manieren van dienaarschap dit gebed doet onderwijzen. Eerst vertelt het hen dat hun Vader (d.w.z. God, in hun terminologie) in hemel is. Dan wordt over de Vader gebeden dat Zijn naam wordt gezegend, Zijn koninkrijk wordt opgezet en Zijn wil in deze wereld wordt verwezenlijkt aangezien Zijn wil in de hemel verwezenlijkt is. De vraag is: wie zal deze wensen vervullen, die meer als politieke slagzinnen dienen dan als spirituele oproeping? Dan vragen ze om hun dagelijkse brood en om Zijn vergiffenis in plaats om hun vergiffenis – dat hij Zijn rechten zou moeten opschorten aangezien zij hun rechten hebben opgeschort. Maar welk recht bezitten zij behalve welke door God gegeven is? Vervolgens smeken zij Hem om hen niet te leiden in verleiding, maar hen te beschermen tegen het kwaad. Dit vraagt om het onmogelijke, omdat deze wereld bestemd is voor toetsing en beproeving, zodat wij de geestelijke perfectie kunnen verkrijgen. Zou de redding niet zijn betekenis verliezen, als er geen sprake zou zijn van toetsing en beproeving?

 

En toch schrijven sommige oriëntalisten roekeloos: "De Islam heeft geen superioriteit over andere godsdiensten, wat betreft spirituele kennis, omdat alle goddelijke godsdiensten de mensen voor het geloof in één God uitnodigen en hen vragen om zichzelf te zuiveren door een goed karakter en deugdzame handelingen. De godsdiensten blinken elkaar slechts uit in diepe verbondenheid van hun sociale vruchten."

 

Andere overleveringen

 

Er wordt overgeleverd in Man la yahduruhu'l-faqih en at-Tafsir van al-'Ayyashi dat al-Sadiq (a) zei: "Het rechte pad is Amiru'l-mu'minin (Imam Ali, a)."

 

Al-Sadiq (a) zei: "(Het rechte pad) is het pad naar de kennis van Allah. En er zijn twee paden: één in deze wereld en een andere in het volgende. Betreffende het pad in deze wereld is het de Imam wie men moet gehoorzamen; wie hem in deze wereld kent en zijn leiding volgt, zal het pad voortzetten dat de brug zal zijn over de hel in de volgende wereld; en wie hem niet kent in deze wereld, zal met zijn voet (over die brug) in de volgende wereld uitglijden en in het vuur van de Hel terechtkomen." (Ma'ani 'l-akhbar)

 

Hetzelfde boek citeert al-Sajjad (a), die zegt: "Er is geen gordijn tussen Allah en Zijn bewijs, noch is er een scherm voor Allah tegen Zijn bewijs. Wij zijn de poorten van Allah, en wij zijn het rechte pad, en wij zijn de schat van Zijn Kennis, en wij zijn de tolken van Zijn openbaring, en wij zijn de pilaren van Zijn Eenheid, en wij zijn de plaats van Zijn geheim."

 

Ibn Shahrashub heeft geciteerd van at-Tafsir van Waki' Ibn al-Jarrah door ath-Thawri door as-Suddi door Asbat en Mujahid door ibn 'Abbas, die over het vers “Leid ons op het rechte pad” zei: “Zeg, O de groep dienaren (van Allah): Leid ons tot de liefde van Muhammad (s) en zijn familieleden.”

 

De auteur zegt: er zijn andere overleveringen met dezelfde betekenis. Dergelijke overleveringen zijn gebaseerd op de "stroom" van de Koran, d.w.z. toepassing van de Koran waar het toepasbaar is. Men zou moeten opmerken dat de term "stroom" – en deze zal in dit boek vaak gebruikt worden – uit de overleveringen van de Imams van Ahlalbait (a) afkomstig is:

 

Al-Fudayl ibn Yasar zei: "Ik vroeg Abu Jafar (a) over de overlevering: “Er is geen vers in de Koran of het heeft een buitenkant en een binnenkant, en er is geen woord daarin of het heeft een grens, en elke grens heeft een bewaakte plaats.” (Ik vroeg hem) wat de betekenis was van de buitenkant en de binnenkant. De Imam zei: “Zijn buitenkant is zijn openbaring en zijn binnenkant is zijn interpretatie. Sommigen van deze zijn al gepasseerd (d.w.z. gebeurd) en een gedeelte daarvan is nog niet gekomen; het loopt (of stroomt) zoals de zon en de maan elkaar opvolgen; wanneer iets daarvan opkomt (op zijn toegewezen plaats en tijd), dan gebeurt het…”. (at-Tafsir, van al-'Ayyashi)

 

Dit thema wordt ook in andere overleveringen gevonden. Het is de overeenkomst van de Imams van Ahlalbait (a) dat zij een vers uit de Koran op alles toepassen wat daarvoor geschikt is. En deze overeenkomst was correct en aanvaardbaar, omdat de Koran geopenbaard werd als "leiding naar de werelden"; het leidt de mensheid naar een correct geloof, correcte ethiek en correcte daad. De kwestie van geloof die het heeft verklaard, is de eeuwige waarheid; het is niet beperkt tot een bepaalde tijd of bepaalde plaats. De deugd of de ondeugd en de daarvoor bepaalde regels zijn niet beperkt tot één persoon of één periode. Deze zijn algemeen en van toepassing op alle relevante personen en in alle tijden. De overleveringen die de achtergrond van de openbaring van een bepaald vers verklaren – wanneer, waarom en over wie of wat geopenbaard was – beïnvloeden niet de algemene invoer hiervan. De regel is niet beperkt tot die bepaalde persoon of gebeurtenis, anders zou het niet meer geldig zijn onder andere gelijkaardige voorwaarden en zou deze met de dood van die persoon sterven. De verklaring van de Koran is algemeen. Als het sommige personen prijst of anderen weer veroordeelt, is het wegens de aanwezigheid van goede of kwade eigenschappen in hen. En waar die goede of kwade eigenschappen gevonden worden, zelfs in recentere generaties, zal het vers met alle waarheid op hen toegepast worden. De Koran bewijst het zelf, als Allah zegt: En Allah leidt daarmede (de Koran) degenen die Zijn welbehagen zoeken op de paden van vrede en leidt hen uit de duisternis tot het licht door Zijn gebod en leidt hen naar het rechte pad (5:16); … waarlijk het is een machtig Boek. Geen valsheid kan het beroeren, van voren noch van achteren (41:41-42); “Voorwaar, Wij hebben deze vermaning (de Koran) nedergezonden en voorzeker, Wij zullen er de Waker over zijn” (15:9).

 

Er zijn talrijke overleveringen, misschien wel honderden, die diverse verzen van de Koran op de Imams of hun vijanden toepassen. Dit worden de overleveringen van de "stroom" genoemd. Maar nu het algemene principe is verklaard, zullen wij deze overleveringen in dit boek buiten beschouwing houden, behalve waar het voor de verklaring van een vers of voor de redenering of bespreking noodzakelijk wordt geacht.

 

© Copyright Ahlalbait Jongeren

Afdrukken