Verbod van Europees Hof van Justitie: legitiem of onverantwoord?

In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle

Een paar weken geleden viel het besluit van het Europees Hof van Justitie om het verbod op religieuze, politieke en filosofische uitingen in de vorm van kleding voor werknemers in te voeren. Dit betekent dat werkgevers vrouwelijke werknemers met een hoofddoek mogen weigeren, met toepassing van de regels die het Europees Hof heeft opgesteld.

Op het internet las ik de eerste stukken over deze kwestie. Daarin waren de geluiden vanuit islamitische kant dat dit verbod niet alleen een aanval op de (keuze)vrijheid van de vrouw is. Men stelde ook dat dit voornamelijk een groep treft die al een kwetsbare positie heeft als gevolg van de islaminterpretatie van sommigen. Het verbod zou ertoe kunnen leiden dat moslimvrouwen met een hoofddoek uit de openbaarheid geweerd worden.

Juridisch gezien kan het Europees Hof zich indekken doordat het verbod geen onderscheid maakt tussen religies. Gooien we al onze persoonlijke opvattingen over dit verbod overboord, dan kunnen we stellen dat dit klopt; er is geen sprake van discriminatie wanneer het verbod voor alle burgers gelijk is, ongeacht hun religieuze, politieke en filosofische opvattingen.

Er zijn twee gevoeligheden omtrent dit onderwerp. De rol van een zichtbare uiting als het dragen van een hoofddoek is anders dan de betekenis van het dragen van een keppel of een kruis. Het doet me denken aan een situatie van een joodse man en een moslimvrouw. Hij kiest ervoor zijn keppel af te doen wanneer hij zich vanwege zijn geloof in een bedreigde sfeer bevindt, zij doet haar hoofddoek in een vergelijkbare situatie niet af.

We kunnen stellen dat iedere overtuiging, geloofsgerelateerd of niet, tot een eigen wijze van handelen leidt en de keuze iets wel of niet te doen een eigen waarde heeft. Bij moslims is de hoofddoek een deel van het lichaam en de geest, en die twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Je kunt je afvragen of het werkelijk een oplossing is om mensen door middel van dwang te laten stoppen naar hun religie te leven. Als we kijken naar de eerdergenoemde situatie, heb ik daar mijn twijfels over. Het bedreigde gevoel van de joodse man is net zo evident als dat van de klant die niet door een vrouwelijke medewerker met een hoofddoek geholpen wil worden, terwijl aan het gevoel van de laatste voorbijgegaan wordt en we nog geen regelgeving hebben hoe hiermee om te gaan.

Dan is er nog een andere gevoeligheid. Dit verbod zou een neutrale houding tegenover klanten moeten bewerkstelligen. Ik vind dit punt nog belangrijker dan de discussie over hoe mensen hun religieuze, politieke en filosofische opvattingen zichtbaar maken en of dat wel of niet zou mogen. Een neutrale houding betekent het beleid van de werkgever uitvoeren en daarmee de werkwijze om de doelstellingen van het bedrijf te behalen. Iedere leidinggevende gaat ervan uit dat een medewerker beschikt over de nodige capaciteiten om deze doelstellingen te behalen. Iemands religieuze, politieke of filosofische opvattingen zullen altijd van invloed zijn op het karakter en de persoonlijkheid van de werknemer, want hetgeen we denken, vormt ons. Maar wanneer het praktiseren ervan een ander niet schaadt, zal dit de werknemer niet belemmeren in zijn prestaties en zal hij de doelstellingen van het bedrijf behalen. Een goede werknemer zijn, heeft vooral te maken met kwaliteiten, kunde en kennis.

Als we de aanleiding tot het verbod nader bekijken, komt het erop neer dat de maatschappij neutraliteit wil op het gebied van religie, politiek en filosofie. Zichtbare uitingen van religieuze, politieke of filosofische opvattingen zouden ons beperken in het zijn van goede werknemers. Terwijl bijzonder is dat niet de werknemer met de religieuze, politieke en/of filosofische opvattingen zich daarin beperkt voelt. Het is de klant, de wederpartij die bezwaar heeft tegen zichtbare uitingen. Het is opmerkelijk dat de door verschillende factoren ontstane ongeïnformeerde denkwijze van die partij als een juridisch probleem wordt beschouwd. “Vandaag mag ik jou niet als mens, je beïnvloedt mij en ik stap daarom naar de rechter.”

Om aan de wens van de wederpartij te voldoen, kiest men voor een sanctie (een verbod). Daarmee wordt een diversiteit aan oplossingen over het hoofd gezien en gereduceerd tot slechts een mogelijkheid. Welke realiteit er schuilt achter een zichtbare uiting van religieuze, politieke of filosofische voorkeur doet er dan niet meer toe.

De toekomst zal uitwijzen of het oplossen van het probleem dat de aanleiding tot dit verbod was, wel tot het juridische terrein behoort. Bovendien zal op termijn duidelijk worden of de regels waarmee het verbod gepaard gaat, wel dekkend genoeg zijn om bestaande problemen op te lossen en nieuwe te voorkomen.
Maar misschien is het dan al wel te laat. De weg naar een samenleving waarin voor iedereen plaats is, was al moeilijk begaanbaar. Een verbod dat bevestigt dat mensen elkaar al veroordeeld hebben, maakt die weg alleen nog maar moeilijker.

Het is uiterst jammer dat er in een zaak als deze niet voldoende gekeken wordt naar oorzaken die tot het verbod geleid hebben en naar langetermijn-oplossingen, maar dat men zich alleen richt op symptoombestrijding. Het maakt het werk voor de mensen die dag in dag uit hard werken om vooroordelen over religieuze, politieke en filosofische opvattingen te bestrijden alleen maar moeilijker. Je zou bijna kunnen zeggen dat door de invoering van het verbod de succesverhalen van werknemers met een zichtbare religieuze, politieke en filosofische achtergrond niet bestaan, terwijl dat niet mijn realiteit is.

Volgens sommigen is dit verbod het gevolg van een rechtssysteem dat boven alle andere vormen van wetten bestaat, inclusief de Goddelijke wetten. De mensen die er andere opvattingen op na houden, zouden daarom maar beter kunnen verhuizen naar een ander land. Ik denk dat dit het begin is van een tijdperk waarin het dwingende subjectieve perspectief boven het humane komt te staan.
En dat kan alleen in een wereld waarin de klant keizer wordt.

Geschreven door R.Q.

© Ahlalbait Jongeren Organisatie

Tel je zegeningen

In de naam van Allah, de meest Barmhartige de meest Genadevolle

‘Ik geniet van alle kleine dingen in het leven,’ hoor ik een jonge vrouw met diepblauwe ogen doordringend zeggen. Gisteravond voor het slapengaan heb ik Allah (swt) uitvoerig bedankt voor alle zegeningen die ik heb en ik kan beamen wat ze zegt. Dankbaarheid klinkt misschien wat clichématig en van de week las ik in een blad dat het een behoorlijk uitgekauwd onderwerp is. Het zou zelfs zo’n saai onderwerp zijn dat de eindredacteur van het magazine had getwijfeld of hij wel een stuk over dat onderwerp moest publiceren.

preview

Ik denk dat dankbaarheid ook wel een cliché-onderwerp kan zijn, als je je er niet genoeg bewust van bent, wat het met je kan doen en beseft hoe het je kan veranderen en in staat stellen de dag positief te beginnen en te eindigen.

Toch snap ik ook dat het moeilijk kan zijn als je enige wens genezen van een ziekte is en herstel uitblijft, als je met heel je hart hoopt op die ene mooie functie en je het net niet wordt, wanneer je een dierbare verliest, een belangrijke afspraak misloopt, de bus mist of veel geduld moet hebben voor iets wat je graag wilt. Er zijn genoeg redenen te bedenken waarom dankbaarheid soms net niet datgene is, waaraan we willen denken.

De jonge vrouw spreekt verder over de dingen die voor haar echt belangrijk zijn. Ik mijmer hierdoor verder over het onderwerp van het gesprek en merk dat door hoop en vertrouwen te hebben in de dingen die gebeuren en nog gaan komen vanzelf dankbaarheid ontstaat. Zo vertelt een van de verzen uit de edele Koran: “En toen uw Heer verklaarde: als gij dankbaar zijt zal Ik u meer geven…”(14:7) Het vers laat zien hoezeer een dankbare status bij Allah (swt) geliefd is en hier blindelings op mogen vertrouwen.

Geschreven door R.Q.

© Copyright Ahlalbait Jongeren

Twee geloven en één wereld

In de naam van Allah, de meest Barmhartige de meest Genadevolle

“Zullen we voor altijd vriendschap sluiten?” vroeg ze en ging achterover zitten op het zomerse gras. We zaten allebei met onze gezichten richting de hete zon, ergens in een speeltuin dicht in de buurt van ons huis. Ze droeg een lange rok, die niet tot haar enkels reikte, maar lang genoeg was om te weten dat hij een kenmerk van haar geloof was. En daar zat ik, naast haar, dromend over een eeuwige vriendschap. “Ja, dat lijkt me echt tof. Voor altijd?” vroeg ik nog wat onzeker. Ze zei niets meer; haar zachte glimlach volgde als een hardop uitgesproken antwoord.

Toen het al minutenlang stil was, keek ik nog eens haar rok. Ze was zo anders dan ik. Haar familie, vrienden en netwerk verschilden van die van mij als dag en nacht. Een van haar zusjes bekeek onze vriendschap altijd met vreemde ogen. En dan kreeg ik bijna het gevoel dat onze verschillende geloofsovertuigingen elkaar in de weg stonden. Maar zijzelf was niet zo. Ze keek nooit bedenkelijk naar onze vriendschap, vroeg zich nooit af of we wel vriendinnen konden zijn. Doordat ze zo open was, wilde ik soms meer over haar geloof weten. Waarom ze bijvoorbeeld geen televisie mochten kijken en of het wel klopte dat ze er stiekem thuis toch een hadden. Of waarom ze zich allemaal zo kleedden en echt elke zondag naar de kerk gingen.

Als ik die nieuwsgierige vragen echt had gesteld, dan zou ze die met alle geduld beantwoord hebben. Maar we waren veel te druk met onze vriendschap. Te druk met mijmeren over een zorgeloze toekomst en wat ons te wachten stond. Te onbevooroordeeld om elkaar glashard te negeren.

Een paar jaar later ging ze verhuizen. Op de plek waar we vroeger in het gras zaten, staat nu een huis. Geen ruimte meer voor dagdromen. Alleen een blijvende herinnering: in een wereld met verschillende geloven was onze wereld een.

Geschreven door R.Q.

© Copyright Ahlalbait Jongeren

Meer artikelen...