Imam Jafar Al-Sadiq (a)

In de naam van Allah, de Barmhartige de Genadevolle

Naam: Jafar

Bijnaam: al Sadiq (de betrouwbare/die altijd de waarheid spreekt), al Fadil (hij van hoge deugden), al Tahir (de reine)

Vader: Imam Mohammed al Baqir, 5e Imam

Moeder: Fatima (achterkleindochter van Abu Bakr; kleindochter van Muhammed ibn Abu Bakr)

Geboortedag: 17de Rabi' I, 83 AH. 4/20/702.

Geboorteplaats: Medina

Sterftedag: 25th Shawwal, 148 AH. 12/14/765.

Sterfteplaats: Medina

Begraafplaats: Jannatul Baqi’, Medina

Geboorte

Geboorte en jeugd

Jafar al Sadiq (a) werd 23 jaar na de strijd in Karbala (de strijd van Taf) geboren. Zijn jeugd bestond uit een leerproces waarin de regels en de wijsheden van de Koran, de Islam en de sunna aan hem werden overgedragen. Dit leerproces vormde de voorbereiding op zijn functie als Imam. Tot en met zijn 13e jaar leerde hij van zijn vader, Mohammed al Baqir (a) en van zijn opa, Imam Ali al Sajjad (a), de enige mannelijke Ahlalbait lid die de strijd in Karbala overleefde. Na de sterfte van Ali al Sajjad (a) leerde hij verder bij zijn vader. Vanzelfsprekend werd hij opgevoed met sterke Islamitische principes zoals betrouwbaarheid, geloofwaardigheid en Godvrezendheid.

Gebeurtenissen uit het leven van de Imam (a)

Huwelijken en kinderen

Zijn eerste vrouw heette Fatima en was een nakomeling van Imam Hasan ibn Ali (a), de tweede Imam. Hun kinderen waren o.a. Ismail en Abdallah. Na haar dood kocht hij een slavin genaamd Hamidah Khatun, om haar te bevrijden. Hoewel de Islam tegen slavernij is, was het onder de Imams gebruikelijk om slaven en slavinnen te kopen en te bevrijden, om te voorkomen dat deze slaven/slavinnen elders belanden, waar ze mogelijk een slechte behandeling te wachten stond. Imam Jafar al Sadiq (a) leidde Hamidah Khatun na haar bevrijding op tot Islamitische geleerde en ze trouwden. Hamidah Khatun werd hierdoor verheven van een slavenpositie naar een positie waarin ze religie doceerde en onder vrouwen bekend stond om haar wijsheid. Ze kregen kinderen, waaronder Musa al Kadhim (a).

Achtergrond verhoudingen Ahlalbait – regeerders uit die periode

Imam Ali al Sajjad (a) was Imam gedurende de eerste 13 jaren uit het leven van Imam Jafar al Sadiq (a). In deze periode waren de  regeerders vijandelijk jegens Ahlalbait. Vrienden en familie riskeerden gevangenisstraffen en het huis van Imam Ali al Sajjad (a) stond onder strenge controle van de regering. Mensen waren gewaarschuwd niet bij zijn huis in de buurt te komen. Middels het strenge toezicht, de bewaking en de gevangenisstraffen werd er geprobeerd de interactie tussen de Imam en de bevolking te beperken.

Hierna werd Mohammed al Baqir (a) de Imam. Hij genoot meer vrijheid dan zijn voorganger, o.a. vanwege de regeerder Omar ibn abdul Aziz. Omar stond bekend om zijn eenvoudige, bescheiden leefstijl en was een vrome man. Hij zag toe op een betere behandeling van Ahlalbait en gaf ze meer vrijheid. Zijn houding jegens Ahlalbait wordt geïllustreerd door zijn afschaffing van de tot dan toe gebruikelijke vervloeking van Imam Ali ibn abi Talib (a) tijdens het gebedsoproep. Onder leiding van Omar ibn abdul Aziz werd dit dus officieel verboden. Echter, na twee jaar regeerschap werd Omar vergiftigd, omdat andere Bani Umayya leden ontevreden waren over Omar’s religieuze, ingetogen en tolerante leefstijl.

Ook zijn opvolger bleef niet lang aan de leiding en werd nagevolgd door de regeerder Hisham bin Abdul Malik. Deze was intolerant jegens Ahlalbait, maar werd afgeleid door oproer uit de bevolking: de populariteit van Bani Umayya was in de loop der tijd sterk afgenomen en er was een revolutie op komst. Hisham’s prioriteit was om de bevolking te kalmeren. Mohammed al Baqir (a) kreeg hierdoor ruimte om aan mensen religieuze waarden bij te brengen, zonder een overmaat aan hinder door de regering. Dit verontrustte Hisham, maar hij kon niets doen, aangezien hij zijn handen vol had aan het sussen van oproer uit de bevolking. Al Baqir (a) stierf 114 AH, nadat hij het Imamaat aan Jafar al Sadiq (a) had toegewezen. Al Sadiq (a) was toen 31 jaar. Hisham werd nu nog bezorgder, want Jafar al Sadiq (a) was jong, actief, levendig en hij was bezig met de opzetting van een eigen leerschool, die uiteraard uit de leer van de Profeet (s) bestond.

Revolutiecampagne Abbasiden

De taak van Hisham bin Abdul Malik bestond voornamelijk uit het voorkomen van een opstand tegen Bani Umayya. Echter, hun gezagsverlies was onvermijdelijk, vanwege de jarenlange onderdrukking van verscheidene groeperingen uit de bevolking, o.a. Ahlalbait en hun ondersteuners, maar ook etnische minderheden zoals de Perzen. Daarnaast was het schandaal van de gebeurtenissen in Karbala (de strijd van Taf) relatief recent. Verder waren de economische ontwikkelingen ongunstig en stond de slechte economische toestand van de bevolking in schril contrast met de luxueuze leefstijl van Bani Umayya.

Er ontstonden twee grote nieuwe partijen die het voortouw in de revolutie wilden nemen: de ene groep zei nakomelingen te zijn van Imam al Hassan (a) en de tweede groep zei nakomelingen te zijn van Abbas ibn Abd al Muttalib (a), een oom van de Profeet (s). De tweede groep kreeg hierdoor de benaming “Abbasiden”. De Abbasiden hielden een uitgebreidere campagne dan hun tegenstanders en hadden hiermee een grote voorsprong.

De campagne van de Abbasiden was gebaseerd op de volgende aspecten:

# Ze beweerden van Ahlalbait te houden.
# Ze zeiden wraak te willen om wat er in Karbala gebeurd was.
# Ze beloofden gevangenen vrij te laten.
# Prominente leden van de partij werden gezien op de leerschool van Imam Jafar al Sadiq (a). Hieronder waren o.a. de broertjes al Saffaah en al Mansour, die beiden later regeerders zouden worden.

Al met al kwam dit zeer veelbelovend over op het volk en de Abbasiden kregen veel steun vanuit de bevolking.

De revolutie vond plaats in 131 AH (750 AD), na een veldslag bij al Kufa in Irak. De tijd van Bani Umayya was nu voorbij en de Abbasidische regering vestigde zich. De eerste Abbasidische regeerder, al Saffaah, zetelde in al Kufa.

Aangezien het Abbasidische campagnemotto gebaseerd was op liefde voor Ahlalbait, moest al Saffaah wel tolerant zijn jegens Jafar al Sadiq (a) en hem de vrijheid geven om zijn leerschool verder te ontplooien.

Ondertussen onthield Imam Jafar al Sadiq (a) zich van politieke steun voor de Abbasiden, omdat hij zich bewust was van de dubbele agenda’s en bijbedoelingen die vele prominente leden hadden. Hij wist dat deelname aan het politieke spel zou betekenen dat hij zijn tijd kwijt zou zijn aan de bijbehorende intriges. Zijn houding komt duidelijk naar voren in een voorval waarbij hij een brief ontvangt van Khorasani en al-Khallal, twee prominente ondersteuners van de Abbasiden, waarin ze Jafar al Sadiq (a) vragen om deel te nemen aan deze revolutie en leider te worden. Ze vertellen hem dat ze hem hierin zullen steunen. Imam Jafar al Sadiq (a) maakte een statement door deze brief openlijk te verbranden, tot verbazing van de omstanders. Al-Khallal werd na de revolutie gedood door andere Abbasiden, ondanks zijn fervente deelname aan de Abbasidische revolutie, en Khorasani werd gouverneur, bleek sterk anti-sji’itisch te zijn en onderdrukte de sji’itische bevolking in zijn district.

Kansen voor leerschool

Van alle Imams (a) kreeg Imam Jafar al Sadiq (a) de meeste vrijheid en kansen om een leerschool op te zetten. Dit had met meerdere factoren te maken. Boven alles staat Allah’s wil, aangezien alle goede dingen met Allah’s wil en op Zijn bevel gebeuren. Ten tweede was er onrust in de bevolking ten tijde van Bani Umayya, waardoor de leiders van Bani Umayya hun aandacht op het behoud van hun regering vestigden en van Imam Jafar al Sadiq (a) werden afgeleid. Hierdoor kreeg Jafar al Sadiq (a) meer ruimte tot interactie met de bevolking, iets wat voorheen vaak onmogelijk werd gemaakt. Ten derde bepaalde de inhoud van de Abbasidische revolutiecampagne op korte termijn het verdere beleid t.o.v. Ahlalbait. Het zou immers te opvallend zijn als ze Jafar al Sadiq (a) zouden tegenwerken vlak na hun campagne, wat gebaseerd was op liefde voor Ahlalbait. Verder zorgden de wetenschappelijke prestaties van Imam Jafar al Sadiq (a) voor veel aanzien. Zijn hoge deugden en de manier waarop hij met mensen omging zorgden ervoor dat hij geliefd was onder de bevolking. De combinatie van deze factoren leidde ertoe dat Imam Jafar al Sadiq (a) minder belemmerd werd in zijn religieuze interactie met de bevolking dan de andere Imams (a). Hierdoor ontstond de mogelijkheid om zijn leerschool/universiteit op te zetten. Locatie hiervoor was de Moskee van de Profeet (s) (Masjid al Nabawi) in Medina.

Rol in wetenschap

Elke Imam (a) is vooraanstaand in datgene wat een grote rol speelt in zijn tijd. Zo leefde Imam Ali ibn Abi Talib (a) in een periode van vele oorlogen, waarin Arabieren daarnaast ook veel belangstelling hadden in het verfijnde gebruik van de Arabische taal. Imam Ali (a) was vooraanstaand in deze aspecten: sterk, moedig en welbespraakt, waardoor hij een uitstekende veldheer werd en zijn “Nahj al Balagha” (“Peak of Eloquence”) kon samenstellen. En zo ook Imam Jafar al Sadiq (a): de periode waarin Imam Jafar al Sadiq (a) leefde, was het begin van de Islamitische Gouden Eeuwen (622-1258 AD). Deze kenmerkten zich enerzijds door enthousiasme voor de wetenschap en de ontwikkeling van de Islamitische beschaving en anderzijds door de ontdekkingsreizen, waarbij Arabische reizigers andere culturen en talen leerden kennen. Hierdoor kwamen vertalingen van oude wetenschappelijke teksten (bijv. oud Griekse filosofie, oud Indiase wiskunde) en ontstond er een grote instroom van informatie. Deze oude wetenschappen werden gebruikt, uitgediept, aangevuld en verder ontwikkeld.

Leerschool

Al Sadiq (a) vormde zich tot een “Uomo Universale” (Arabisch: علاّمة), een deskundige op vele gebieden: islamitische geleerde, astronoom, scheikundige, natuurkundige, filosoof. Bepaalde bronnen geven ook aardrijkskunde aan (hij schijnt over aardkorstlagen geschreven te hebben). Tevens doceerde hij deze vakken op zijn leerschool, dus deze ontwikkelde zich tot een echte universiteit.

Naast wetenschappelijke vakken waren er ook Islamitische vakken en docentenopleidingen. De islamitische vakken bestonden uit tafseer al Quran (exegeses/tekstverklaringen van de Koranverzen), fiqh (de Jafari jurisprudentie), lessen over het erkennen van de Schepper, regels van halal en haram (het toegestane en het verboden). Ook was er een Q&A sectie, waar mensen (ook niet-leerlingen) antwoord konden krijgen op hun religieuze vragen.

Zijn leerschool heeft uiteindelijk meer dan 4000 studenten geteld en enkele bekende namen hebben er hun opleiding genoten, waaronder:

Jaber ibn Hayyan: dit was een scheikundige, astronoom, geneeskundige, Islamitische geleerde en filosoof. Voor zijn tijd en de tijd van Jafar al Sadiq (a) was scheikunde een vage, mystieke bezigheid en heette het nog de alchemie. In de westerse literatuur wordt Jaber ibn Hayyan genoemd als de eerste die de scheikunde naar voren bracht als een objectiveerbare wetenschap. Dit deed hij onder opleiding van Imam Jafar al Sadiq (a) en ook promoveerde hij in de scheikunde onder hem. Zijn proefschrift ging over brandvertragend papier.

# Abu Hanifa: hoogaangeschreven geleerde onder soennieten.
# Malik ibn Anas: hoogaangeschreven geleerde onder soennieten.
# Musa ibn Jafar (a): zoon van Jafar al Sadiq (a) en tevens de 7e Imam.
# Ali ibn Jafar (a): zoon van Jafar al Sadiq (a).

Ter illustratie van het aanzien van de leerschool van Imam Jafar al Sadiq (a), is het goed om te beseffen dat indertijd geen andere leerschool de zijne kon evenaren. Het westen verkeerde in de middeleeuwen en ook de andere werelddelen liepen wetenschappelijk achter op de islamitische beschaving. Geïnteresseerden kwamen uit alle delen van de moslimwereld naar zijn leerschool, waardoor het leerlingenaantal ook zo ongekend groot was voor die tijd. Met zijn school, waar bekende geleerden en wetenschappers uit voortgekomen zijn, zette hij dus de toon voor de islamitische Gouden Eeuwen en hiermee is hij een onmisbaar figuur geweest voor de algemene ontwikkeling van de islamitische beschaving.

Bescherming Khumus

Khumus is het islamitische belastingsysteem m.b.t. geld en goud, waarbij jaarlijks 1/5e  wordt weggegeven van het geld/goud wat het afgelopen jaar ongebruikt is gebleven. Aangezien de Abbasidische regering beweerde een islamitische regering te zijn, werd khumus vroeger aan de regering gegeven. De regering gaf het geld/goud vervolgens aan Islamitische geleerden die in dienst waren van de regering. Het probleem hiermee was dat deze geleerden werknemers werden van de regering, i.p.v. een onafhankelijke instantie die God diende. Ze verleenden onrechtvaardige steun aan de regering en werden corrupt en omkoopbaar.

Al Sadiq (a) vond dit een kaping van de religie en greep in. Hij liet aan de bevolking weten dat de khumus ook aan hem kon worden gegeven. Hij zou dan zorg dragen voor een correcte distributie ervan.

Al Saffaah, de eerste Abbasidische regeerder, was fel ontevreden dat dit buiten de regering om gebeurde en probeerde dus Jafar al Sadiq (a) over te halen om voor de regering te komen werken. Hiermee wilde hij een beter oogje in het zeil houden. Al Sadiq (a) weigerde.

Bescherming zuiverheid Islam

Al saffaah stierf in 135 AH (754 AD) en werd opgevolgd door zijn broer, al Mansour. Al Mansour had een goede reputatie onder de bevolking wegens zijn rijkdommen en uiterlijkheden. Daarnaast waren mensen zijn prominente positie tijdens de revolutie niet vergeten. Ook stichtte al Mansour een nieuwe hoofdstad: Bagdad. Verder deed hij zich voor als een liefhebber van Ahlalbait, praatte hij vaak over Karbala en werden hij en zijn zonen vaak gezien op Jafar al Sadiq’s leerschool. Al Mansour probeerde op deze manier steun te krijgen van Imam Jafar al Sadiq (a) voor zijn regering. Jafar al Sadiq (a) kende echter de ware aard van al Mansour via discussies en gesprekken tijdens/na de lessen op de leerschool en waarschuwde mensen voor de adviezen van de geleerden die in dienst van al Mansour waren. Hij liet duidelijk weten dat zij de religie vervormen omwille van de regering.

Al Mansour zette zich ondertussen in om de religie te vervormen. Hij stuurde zijn onderdanen naar de colleges van al Sadiq, zodat ze vervolgens valse uitspraken over de colleges konden doen. Zo vertelden ze dingen die Imam Jafar al Sadiq (a) helemaal niet had gezegd. Verder richtte hij zijn eigen leerscholen op en hij zorgde er opzettelijk voor dat er op elke nieuwe leerschool iets anders werd gedoceerd, zodat onder de bevolking verwarring zou ontstaan over de religie. Aangezien elke leerschool iets anders zei, begon het voor mensen onduidelijk te worden wat nu de waarheid was. Om dit te bewerkstelligen, kocht al Mansour geleerden om, om onjuistheden te verspreiden. Deze stappen markeerden de opkomst van de verschillende islamitische stromingen. Hiervoor bestonden zeker ook al meningsverschillen, maar de inspanningen van al Mansour om de religie te vervormen, schijnen een onmiskenbaar grote invloed te hebben gehad. Het ontstaan van de verschillende stromingen was in gang gezet.

Jafar al Sadiq (a) bleef de religieuze discussie met de verschillende leerscholen aangaan, om de ware Islam bekend te laten blijven en opdat de mensen weten dat de leerschool van Jafar al Sadiq (a) al jarenlang consequent een bron van waarheid is.

Relatie met al Mansour

Onder leiding van al Mansour zagen de tolerante tijden hun einde en de vijandelijkheden jegens Ahlalbait waren inmiddels weer begonnen: vrienden en familieleden van Ahlalbait riskeerden gevangenisstraffen en doodstraffen. Verdwijning was ook een gevaar, aangezien er sprake was van onbekende begravingen. Daarom verzocht Imam Jafar al Sadiq (a) zijn aanhangers om voorzichtig te zijn in de persoonlijke omgang met hem, i.v.m. de gevaren die een vriendschap met Ahlalbait met zich meebracht.

Betrouwbare bronnen schrijven dat al Mansour vaak heeft geprobeerd om Jafar al Sadiq (a) te doden, maar dat hij altijd op het laatste moment zijn plan niet voortzette. Al Mansour heeft aan vertrouwelingen verteld dat hij bang werd en dat hij op deze momenten het gezicht van de Profeet (s) voor zich zag, waardoor hij niet meer durfde door te gaan met zijn plannen. Dit geeft aan dat hij wel degelijk een sterk vermoeden had wie hij precies voor zich had en dat dit een nakomeling van de Profeet (s) was.

Op een dag waarop al Mansour veel aanhangers van Ahlalbait had vermoord, zeiden zijn onderdanen tegen hem: “Alhamdulilah heb je vele van je tegenhangers gedood.”

Al Mansour’s antwoord hierop was: “Nee, ik vind geen rust zolang Jafar al Sadiq nog leeft.”

Het overlijden van Imam Jafar al Sadiq (a)

Kort hierna werd Jafar al Sadiq (a) vergiftigd en hij stierf op 65-jarige leeftijd, in het jaar 148 AH (767 AD). Op zijn sterfbed, omringd door familieleden, vertelt Imam Jafar al Sadiq (a) dat wie licht over het gebed denkt, op de dag des Oordeels geen bemiddeling (shafa’a) krijgt van de personen in die kamer (dus o.a. Jafar al Sadiq en Musa al Kadhim).

Al Mansour schreef na het horen van de dood van Jafar al Sadiq (a) onmiddellijk een brief aan Mohammed ibn Suleiman, de vertegenwoordiger van Medina, waarin hij hem de volgende opdracht gaf: “als Jafar al Sadiq een opvolger heeft aangewezen, pak die opvolger en dood hem. ”Al Sadiq (a) had dit echter voorzien en uit voorzorg alleen aan naaste vertrouwelingen verteld dat de opvolger Musa ibn Jafar (a) was. Mohammed ibn Suleiman moest dus al Sadiq’s (a) testament raadplegen. In het testament vond hij, tot zijn schok, de volgende tekst:

“Ik heb 5 opvolgers:

1. Abu Jafar al Mansour
2. Mohammed ibn Suleiman
3. Abdullah al Afdah, Ibn Jafar (dit was de oudste levende zoon van Jafar al Sadiq (a). De oudste zoon, Ismail, was al gestorven terwijl al Sadiq (a) nog leefde. Abdullah stierf echter 70 dagen na de dood van al Sadiq (a), onder verdachte omstandigheden. Hij was jong en kindloos. Dit zou erop kunnen wijzen dat de voorzorgen van Imam al Sadiq (a) terecht zijn geweest)
4. Musa ibn Jafar
5. Hamidah Khatun”

Imam al Sadiq (a) ligt begraven in Jannatul Baqi’, een begraafplaats in Medina.

De tijd waarin hij leefde, wordt de eeuw van Imam al Sadiq (a) genoemd, door zijn belangrijke invloeden. Dit ondanks de vele inspanningen van al Mansour, zijn onrechtmatige scholen en de nieuwe islamitische groeperingen die door zijn onrechtmatige scholen ontstaan zijn.

Leermomenten uit zijn leven

Ten eerste valt er uit zijn leven de les te trekken dat men doorzettingsvermogen en volharding in zijn/haar daden en capaciteiten moet opbrengen, ongeacht de omstandigheden. Voorts komt het belang van zelfontplooiing en zelfontwikkeling naar voren in zijn leerschool, zijn rol in de wetenschap en zijn besluit zich niet in te laten met slinkse politieke spellen. Verder komt naar voren dat de Islam de politiek kan zuiveren (mits goed uitgevoerd), maar dat men de Islam niet door politieke bedoelingen vertroebeld mag laten worden.

Imam Jafar al Sadiq (a) verspreidde de Islam met goede deugden, goede daden, een goede omgang met mensen en met verstandig gedrag. Dit zijn tijdloze middelen, die ook tegenwoordig toegepast dienen te worden. Uit het feit dat hij een slavin opleidde tot Islamitisch geleerde en vervolgens met haar trouwde, vloeit de conclusie dat de Islam geen discriminatie kent. Een ander opvallend aspect uit zijn leven is de rol van de vrouw: hij erkende de rol van de vrouw in de wetenschap en in de religie. Tenslotte was zijn eigen vrouw Islamitisch geleerde en stond ze bekend om haar wijsheid. Tevens stond ze in zijn testament als mogelijke opvolger, hoewel hij de echte opvolger al discreet had toegewezen.

Enkele gezegdes

“لكل شىء زكاة و زكاة العلم تعليمه”

“Alles heeft een belasting. En de belasting van kennis is het delen van kennis.”

Er werd eens aan hem gevraagd waar hij zijn leven op bouwde. Hij zei: “op 4 dingen:

Weten dat mijn werk/taken niet door iemand anders voor mij verricht zullen worden, dus spande ik me in.

Weten dat Allah me altijd ziet, dus schaamde ik me.

Weten dat mijn levensonderhoud voor me is opgeschreven (*door Allah*), dus voelde ik me verzekerd.

Weten dat de dood op me wacht, dus bereid ik me voor.”

“كونوا دعاة لنا بغير ألسنتكم”

“Wees onze stille vertegenwoordigers.” (= directe opdracht aan wie zich een volgeling van ahlalbait noemt. Laat de deugden en het gedrag van ahlalbait aan de wereld zien via je eigen gedragingen. Je hoeft het dus niet altijd over ahlalbait te hebben om hun vertegenwoordiger te zijn.)

“كونوا زينا لنا و لا تكونوا شينا علينا”

“Wees een versiering (*trots*) voor ons en wees niet een schandaal (*schaamte*) voor ons.” (= directe opdracht aan wie zich een volgeling van ahlalbait noemt.)

Bronnen:

Biografie van het leven van Imam Jafer al Sadiq (a), biografieënreeks 14 onfeilbaren, Imam Husain Foundation, Qum
http://www.al-islam.org/kaaba14/9.htm#Revolution

© Copyright Ahlalbait Jongeren

Plaats reactie

Zie onze disclaimer voor de regels:

http://ahlalbait.nl/index.php/disclaimer


Beveiligingscode
Vernieuwen