Overlijden Jafar al Tayar, 10 Jumaada Al Thaany 8 A.H.

In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

Ondanks zijn nobele status onder de Quraysh (stam) was Abu Talib (a), een oom van de profeet (s) erg arm. Hij had een grote familie en had  niet  de middelen om zijn familie goed te onderhouden. Zijn armoedige levenssituatie werd slechter toen het Arabisch schiereiland werd geraakt door een verschrikkelijke droogte. Deze droogte verwoestte gewassen en voorraden en men werd genoodzaakt om te overleven van slechts bonen.

Het was tijdens deze droogte, voordat Mohammed (s) werd geroepen als profeet door God, dat Mohammed (s) tegen zijn oom Al Abbas zei: 'Uw broer,  Abu Talib, heeft een grote familie. Mensen hebben erg last van deze droogte en staan op het punt te verhongeren. Laten wij naar Abu Talib gaan en wat van zijn verantwoordelijkheden overnemen. Ik zal de zorg van een van zijn zonen op mij nemen en u kunt de zorg van een van zijn andere zonen op u nemen.'

Wat jij aanbeveelt is zeker goed en lofwaardig, antwoordde Al Abbas en samen gingen zij naar Abu Talib (a) en zeiden tegen hem: 'We willen jou van je verantwoordelijkheden verlichten todat deze moeilijke periode voorbij is. Abu Talib (a) stemde in.

'Als jij mij toestaat om Aqeel (een oudere broer van Ali (as)) te houden, dan mag jij verder doen zoals jou uitkomt, zei hij.

Op deze manier nam Mohammed (s) Ali (a) onder zijn hoede en Al abbas nam Jafar onder zijn hoede. Jafar verbleef bij zijn oom Al Abbas, totdat hij een jongeman was. Hij omarmde de Islam en had een hoge status. Op een dag bekeerde zijn vrouw, Asmaa Bint Umais, zich tot de Islam. Ook zij hebben heel wat moeten meemaken, maar zij weerstonden al hun problemen met moed en vreugde. Toen de Profeet (s) zijn metgezellen adviseerde om te migreren naar Abyssinia, waren Jafar en zijn vrouw onder de mensen die dit advies opvolgden.

Toen de Quraysh hoorde van het vertrek van de kleine groep moslims en de vreedzame leven die zij leidden onder de bescherming van de Negus (Negus is een benaming voor koning in het oude Ethiopie), maakte de Quraysh plannen om ervoor te zorgen dat ze terug zouden keren naar Mekka. Ze stuurden twee van hun krachtigste mannen Amr ibn al-Aas en Abdullah ibn Abi Rabiah om deze taak te volbrengen en overlaadden hen met waardevolle kado's voor de Negus en hun priesters. Amr en Adullah gingen naar de Negus en overhandigden de kado's die hij erg waardeerde. Zij zeiden tegen hem: “O Koning, er is een groepje slechte mensen van onze jeugd die naar uw koninkrijk zijn gevlucht. Zij zijn aanhangers van een religie die  voor ons beide onbekend is. Zij hebben onze religie achter zich gelaten en ook die van u (hij was Christen). De leiders van hun volk hebben ons naar u gestuurd en gevraagd om ze terug te brengen. Zij weten goed wat zij hebben veroorzaakt.”

De Negus zei: “Nee, ik zweer bij God. Ik zal ze niet overhandigen aan iemand tot dat ik zelf met ze heb gesproken over waar zij van worden beschuldigd. Als wat deze twee mensen hebben gezegd waar is, dan zal ik ze aan je overhandigen. Als dit allemaal niet waar blijkt te zijn, dan zal ik ze beschermen zo lang zij willen.”

De Negus riep de moslims op om ze te ontmoeten. De moslims besloten na gezamelijk overleg dat Jafar ibn Abi Talib als vertegenwoordiger zou moeten gaan naar Negus. In de rechtbank van de Negus zaten de priesters gekleed in groene gewaden aan de linker- en rechterkant. De afgezanten van de Quraysh waren er ook en de Negus vroeg aan ze:

“Vertel over deze nieuwe religie die jullie aanhangen. Deze religie heeft je van je eigen mensen verwijderd. Jullie hebben niet mijn religie aangenomen, maar ook niet die van een andere gemeenschap.”

Jafar ibn Abi Talib stapte naar voren en hield een toespraak die hartveroverend en erg welbespraakt was. Het is tot op de dag van vandaag een van de meest aangrijpende beschrijvingen van de Islam, de fascinatie voor de Profeet  (s) en van de Mekkaanse gemeenschap toentertijd.

Hij zei: “O, koning, wij waren onwetend en we dachten dat we onsterfelijk waren. We aanbaden beelden en we aten het vlees van dode dieren. We zondigden en we behandelden onze familieleden slecht. We behandelden gasten die naar onze huizen kwamen slecht en de rijken buitten de armen uit. Wij verbleven in deze staat totdat Allah (swt) ons een profeet stuurde. Iemand van ons, die afstamt van eerlijke en betrouwbare mensen. Hij heeft ons opgeroepen om alleen Allah te aanbidden en om de stenen en beelden te verstoten die onze voorvaders aanbaden in plaats van Allah (swt).”

Hij beval ons om de waarheid te spreken, om onze beloftes te eren, om goed te zijn voor familieleden, om de buren te helpen, om alle verboden dingen te weerstaan, om geen bloed van andere mensen te vergieten, om vunzigheid te vermijden en het geven van valse getuigenissen te vermijden, om niet de eigendommen van weeskinderen te stelen of om kwaad te spreken over vrome vrouwen.

Hij beval ons om alleen Allah (swt) te aanbidden en om niets te koppelen aan Allah, om het gebed te verrichten en om Zakat (aalmoes) te geven en om te vasten in de maand Ramadan. Wij geloven in hem en in wat hij ons heeft gebracht van Allah (swt) en wij volgen hem in wat hij heeft gevraagd van ons en wij vermijden de dingen die hij ons heeft verboden.

Om deze dingen zijn wij, O koning, aangevallen door mensen en we hebben de verschrikkelijkste straffen gekregen zodat wij onze religie verstoten en terug gaan naar het geloof waarin we beelden aanbaden.

Zij hebben ons onderdrukt, hebben ons leven ondraaglijk gemaakt en belemmerde ons om ons geloof aan te hangen. Daarom zijn we naar uw land gekomen; wij hebben u gekozen en wij verlangen naar uw bescherming. Hopend dat wij in gerechtigheid en vrede samen met jullie kunnen leven.

De Negus voelde zich aangegrepen door de wonderbaarlijke woorden van Jafar. Hij vroeg aan Jafar: Heb jij een boekrol met woorden van jouw Profeet? Jafar antwoordde: Ja. Waarop de Negus zei: “Lees het alsjeblieft voor.” Jafar had een zware, zangerige stem waarmee hij het eerste gedeelte van Surah Mariam reciteerde. In deze surah wordt het verhaal van Jezus en zijn moeder Mary beschreven.

De woorden van de Koran brachten de Negus in tranen. Hij zei tegen de moslims: “De boodschap van jullie profeet en van Jezus (a) is afkomstig van dezelfde bron...” De samenkomst was voorbij. Allah (swt) had de moslims geholpen en had ze veel steun gegeven. De afgezanten van de Quraish waren verslagen. Amr ibn Al Aas was echter scherpzinnig en hij kon niet zomaar hun verlies accepteren. De Quraish gingen terug naar hun huizen en Amr dacht na over deze situatie. Hij zei tegen zijn kameraad: “Ik zweer bij God dat ik morgen naar de koning zal gaan en dat ik de moslims van dit land voor eens en altijd zal verbannen.”

Zijn kameraad zei dat hij dit niet moest doen want ondanks de ongehoorzaamheid van de moslims zijn ze toch familie van ons. Amr antwoordde: ”Ik zweer bij God dat ik morgen tegen de koning ga zeggen dat de moslims zeggen dat Jezus een slaaf van God is net zoals iedereen.” Op deze manier zouden de moslims alle steun van de koning verliezen. De koning en de priesters zullen allemaal tegen de moslims keren en als ze dit feit ontkennen dan zullen ze tegen hun eigen religie in gaan.

De volgende dag haastte Amr zich naar de koning en zei: “Uw hoogheid, die moslims zeggen slechte dingen over Jezus (a).” De priesters hoorden dit en werden erg boos. Ze wilden de moslims nogmaals zien zodat ze konden verduidelijken wat hun religie over Jezus (a) zegt.

Toen de moslims dit hoorden, bespraken ze de mogelijkheden met elkaar en besloten om niets anders dan de waarheid te spreken, zoals de profeet heeft gezegd, ongeacht de consequenties. Nogmaals werd er aan de moslims gevraagd wat zij over Jezus zeggen. Jafar stapte naar voren en zei: “Wij zeggen wat Allah (swt) aan de Profeet (s) heeft gezegd en dat is dat hij Allah's slaaf en boodschapper is. Hij is een  ziel dat is gecreerd door Allah (swt).” De koning begon te huilen en zei dat dit dezelfde woorden zijn die Jezus heeft gebruikt om zichzelf te beschrijven. De priesters keurden dit echter af. De koning verklaarde toch dat de moslims vrij waren om te gaan. “Mijn land is jullie heiligdom. Als iemand jullie lastigvalt, dan zal ik diegene zwaar  straffen.”

Vervolgens zei hij tegen zijn hofhouding dat hij de kado's van de Quraish niet wil hebben. Bij Allah (swt), Allah (swt) heeft geen smeergeld van mij genomen toen Hij mijn koninkrijk herstelde, daarom zal ook ik niet worden omgekocht worden om tegen Allah (swt) te zijn. Nadat de afgezanten van de Quraish zo'n afgang meemaakten, gingen ze terug naar Mekka.

Onder leiding van Jafar leden de moslims een veilig leven in Abyssinia. Ze hadden zich gevestigd in het meest gastvrije land van de meest gastvrije mensen todat Allah (swt) ze toestemming gaf om terug te keren naar hun profeet (s). De Profeet (s) vierde de overwinning van Khaibar toen Jafar en de rest van de emigranten van Abyssinia aankwamen. Het hart van de profeet was gevuld met blijdschap en optimisme.

Jafar's verblijf in Madina was niet lang. Aan het begin van het achtste jaar van de Hijra mobiliseerde de profeet (vzmh) een leger om de Byzantische leger in Syrie te confronteren. Dit omdat een van zijn afgezanten op een sluwe wijze was vermoord door een Byzanische gouverneur. Hij koos Zayd in Harithah als commandant van het leger en gaf de volgende instructies: “Als Zayd gewond raakt of vermoord wordt, dan zal Jafar ibn Abi Talib het gezag overnemen. Als Jafar gewond raakt of vermoord wordt, dan zal Abdullah ibn Rawahah het gezag overnemen. Als Abdullah ibn Rawawah vermoord wordt, dan laat de moslims zelf een commandant kiezen.” (andere overleveringen geven aan dat Jafar ibn Abi Talib als eerste werd aangewezen door de Profeet )

De Profeet (s) had nooit eerder zulke instructies gegeven aan een leger en de moslims zagen dit als een aanwijzing dat het gevecht zwaar zal zijn en dat er meerdere doden en gewonden zullen vallen. Toen het leger van de moslims in Mutah aankwam, een klein dorp in de heuvels van Jordanië, ontdekten zij dat het Byzantische leger een leger van honderdduizend mannen klaar had staan. Dit leger bestond uit Christelijke Arabieren van de stammen  Lakhm, Judham, Qudaah en anderen. Het leger van de moslims bestond slechts uit drieduizend mannen.

Ondanks de grootte van het leger van de Byzantinen, ging het leger van de moslims de strijd aan. Zayd ibn al Harithah, een goede metgezel van de profeet, was een van de eersten die viel. Jafar ibn Abi Talib nam de leiding over. De straf van de Byzantinen is niet ver meer. Jafar vocht glorieus maar werd vermoord. De derde opvolger, Abdullah ibn Rawawah, werd ook vermoord. Khalid in al Walid, de onverbeterlijke vechter, die pas was bekeerd tot de islam, werd gekozen als commandant. Hij ging tactisch te werk en viel de vijand van verschillende kanten aan.

Het nieuws van de dood van drie commandanten bereikte de Profeet (s) in Madina. De pijn en verdriet die hij voelde was intens. Hij ging naar Jafar's huis en ontmoette zijn vrouw Asma. Zij was zich aan het klaarmaken om haar man te ontvangen. Zij had deeg klaargemaakt en ze had de kinderen gedoucht en aangekleed. Asma zei: “Toen de Profeet van Allah (swt) naar ons kwam, zag ik veel verdriet op zijn nobele gezicht. Ik was erg bezorgd, maar ik durfde hem niet naar Jafar te vragen omdat ik bang was dat ik slecht nieuws zou horen. Hij groette mij en vroeg: 'Waar zijn Jaffar's kinderen?'  Ik riep ze en ze ging allemaal heel vrolijk om de Profeet (s) heen staan. De kinderen wilden hem allemaal voor zichzelf hebben. Hij leunde achterover en omhelsde hen. De tranen vloeiden vanuit zijn ogen.

O Profeet van God, vroeg ik. Waarom huilt u? Heeft u iets gehoord van Jafar en zijn twee metgezellen?”

“Ja, antwoordde hij. Zij zijn gestorven als martelaren.”

De glimlach verdween van het gezicht van de kleine kinderen toen ze hun moeder hoorden huilen. Vrouwen kwamen naar haar toe en verzamelden zich rondom Asma.

“O Asma,” zei de profeet. “Zeg geen verkeerde dingen en sla niet op je borst (uit wanhoop).”

Hij bad toen tot God om de familie van Jafar te beschermen en te onderhouden en verzekerde hen dat hij in het paradijs is.

De Profeet (s) verliet het huis van Asma en ging naar zijn dochter Fatima (a), die ook aan het huilen was. Tegen Fatima (a) zei de Profeet (s): “Voor iemand als Jafar kun je je tot stervens toe huilen (uit rouw). Bereid vandaag eten voor Jafar's familie omdat ze aan het rouwen zijn.”

Bron: en.rafed.net

© Copyright Ahlalbait Jongeren 

Afdrukken

Je moet je registeren om een opmerking te komen plaatsen. Dit kan simpel via de login knop rechtsboven in het menu.