De slag bij Mutah, 10 Jumaada Al Thaany 8 A.H.

In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

Sheikh Tabarsi en diverse andere geleerden vertellen dat de militaire expeditie genaamd Mutah werd ondernomen in de maand Jamadi-ul-Awwal, in het achtste jaar van de Hijra. Het gebeurde volgens Ibn Abul Hadid als volgt:

De profeet (vzmh) stuurde Harith bin Umair met een brief naar de gouverneur van Busra in het huidige Syrië. Toen Harith bij de plaats Mutah (in het huidige Jordanië) aankwam, kwam hij echter in aanraking met Sharjil bin Amr Ghasani, die hem liet onthoofden zodra hij erachter kwam dat hij een boodschapper van de profeet onderweg naar Syrië was. Toen de profeet dit nieuws hoorde was hij erg ontdaan en hij verzamelde een groot leger dat hij naar dat gebied stuurde. Volgens een soennitische variant van het verhaal wees de profeet Zaid bin Haritha aan als legeraanvoerder. Mocht hij op het slagveld komen te overlijden dan zou Ja’far bin Abu Talib de leiding overnemen, eventueel opgevolgd door Abdullah bin Rawaha. Als de laatste ook de martelaardood zou sterven, dan zouden de moslims zelf een commandant uitkiezen. Sheikh Tabarsi heeft op basis van overleveringen van Imam Ja’far-us-Sadiq echter geconcludeerd dat de heilige profeet (vmzh) eerst Ja’far  bin Abu Talib als leider aanwees, dan Zaid en als derde in de lijn Abdullah bin Rawaha.

Toen het leger onderweg de plaats Ma’an bereikte, kregen zij bericht dat de legers van Harqal, de keizer van het Oost-Romeinse Rijk, een nabijgelegen plek hadden bereikt en daar een kamp opgeslagen hadden van honderdduizend Romeinen en honderdduizend Arabieren. Aban bin Uthman vertelt dat er in het Oosten een kamp was opgeslagen van ongelovigen, dat bestond uit zowel Arabische als niet-Arabische stammen; namelijk de Laham, Khudam, Bali en de Khuza. De moslims verbleven vervolgens drie dagen bij Ma’an terwijl zij zich bewust werden dat hun vijanden in grote getale aanwezig waren. Abdullah bin Rawaha zei: ‘We hebben nooit gevochten met militaire overmacht, maar we vechten altijd met de kracht van de ware religie, waardoor Allah de Almachtige ons begunstigd heeft.’ De moslims beaamden dit en trokken er met driehonderd man op uit. De moslims zetten hun kamp op bij Mutah. Hier zou de veldslag vervolgens plaatsvinden. Volgens een andere overlevering ontmoette een leger van drieduizend moslims het Oost-Romeinse leger bij een dorpje genaamd Ashraf, waarna zij zich terugtrokken tot Mutah, waar de veldslag vervolgens plaatsvond.

Aan het begin van de slag tilde Ja’far de banier op en klom op een rossig paard. Hij vocht totdat hij vele wonden had, waarop hij van zijn paard afstapte, het dier verlamde en te voet verder vocht totdat hij verslagen werd. Volgens sommige overleveringen verlamde hij zijn paard om aan iedereen te laten zien dat hij niet van plan was weg te vluchten. Hij was de eerste moslim die zo zijn paard verlamde. Volgens Sheikh Tusi had Ja’far bij zijn overlijden vijftig verwondingen, waarvan vijfentwintig in zijn gezicht. Volgens andere bronnen had hij zelfs negentig verwondingen. Het belangrijkste is echter dat alle verwondingen aan de voorkant van zijn lichaam waren aangebracht, wat betekent dat hij nooit zijn rug naar zijn vijanden heeft gekeerd.

Abdullah, die het commando overnam, werd ook verslagen. Maar zijn opvolger Khalid bin Walid zette de actie korte tijd voort, waarna hij vluchtte en Abdur Rahman bin Samrah naar de profeet stuurde om hem te informeren over wat er gebeurd was. De boodschapper vond de profeet in de moskee. De profeet beval Abdur Rahman om zijn mond te houden, zodat hij zelf kon aankondigen wat er gebeurd was. De mensen huilden bij het horen van het trieste verhaal, maar hij zei hen: ‘Huil niet, want mijn gemeenschap is als een tuin waarvan de eigenaar hem goed onderhoudt, er huizen in bouwt en de bomen snoeit zodat ze de jaren erna meer fruit dragen. Waarlijk, wanneer Jezus (vzmh) tot mijn gemeenschap zal neerdalen, zal hij een grote groep apostelen vinden zoals die van hemzelf.’

Qutub Rawandi vertelt dat toen de profeet (vzmh) zijn leger naar Mutah stuurde en drie leiders aanwees die elkaar konden opvolgen indien ze zouden worden gedood, een aanwezige rabbijn opmerkte: ‘Als deze man een profeet is, dan zullen alle drie de legerleiders de martelaarsdood sterven.’ ‘Waarom?’ vroegen de mensen. De rabbijn zei: ‘Telkens als een profeet van Bani Israil een leger stuurde met vergelijkbare instructies, dan werden zij alle drie zeker vermoord.’

Er wordt ook verteld dat op de dag dat de slag bij Mutah plaatsvond, de profeet (vzmh) naar de moskee ging en de mensen vertelde wat er op het slagveld gebeurde. Hij zei onder andere dat toen bij de Ja’far de rechterhand werd afgehakt, hij de banier met zijn linkerhand optilde. Toen deze ook afgehakt werd, drukte hij de banier met gevouwen armen tegen zijn borst, totdat hij een martelaar werd. Vervolgens werd de banier door Khalid gedragen. Na enige tijd vluchtte hij – en daarop ook de moslims – van het slagveld. Toen de profeet (vzmh) de moskee verliet, ging hij naar het huis van Ja’far. Hij nam het zoontje van Ja’far, Abdullah bin Ja’far, op schoot en aaide hem over zijn hoofd. Zijn moeder, Asma binte Uwais, merkte dat de manier waarop de profeet zich gedroeg erop leek te duiden dat haar kind een wees was geworden. De profeet verklaarde toen met tranen in zijn ogen dat Ja’far de martelaarsdood was gestorven. ‘Daarvoor’, zei hij’, werden zijn beide handen afgehakt en in ruil daarvoor heeft Allah hem twee vleugels gegeven van smaragd (andere overleveringen zeggen robijn), waarmee hij nu vliegt tot plezier van de engelen in het paradijs’. Ja’far ibn Abu Talib wordt nu ook wel Ja’far Tayyar genoemd, ofwel Ja’far de Vlieger.

Een andere versie van dit verhaal, verteld door Barqi, is dat toen de profeet te weten kwam over het martelaarschap van Ja’far, hij naar zijn Ja’fars huis ging, zijn zoons Abdullah, Aun en Muhammad bij zich riep en hen over hun hoofden aaide. Asma, de vrouw van Ja’far zei: ‘Oh boodschapper van God, u aait hen over het hoofd alsof ze wezen zijn.’ De profeet was verrast door haar intelligentie en zei: ‘Wellicht wist je nog niet dat Ja’far martelaar is geworden.’ Toen Asma dit hoorde, begon ze te huilen. De heilige profeet (vzmh) zei: ‘Huil niet, want de Almachtige God heeft me geïnformeerd dat Hij hem twee vleugels van rode robijn heeft gegeven waarmee hij door het Paradijs glijdt.’ Asma zei: ‘Oh boodschapper van God, roep de mensen bijeen en vertel over zijn verheven status, zodat hij altijd herinnerd zal worden.’ De heilige profeet waardeerde opnieuw haar wijsheid en hij droeg zijn familie op om drie dagen lang voedsel en dergelijke naar het huis van Ja’far te brengen.  Daarmee begon het gebruik om eten te sturen naar families die net een dierbare hebben verloren.

Een derde versie van het verhaal wordt verteld door de ogen van de zoon van Ja’far, Abdullah. Volgens Sheikh Tabarsi zou Abdullah bin Ja’far hebben gezegd: ‘Ik herinner me de dag dat de boodschapper van God naar mijn moeder kwam met het nieuws van het martelaarschap van mijn vader. Hij aaide vol medeleven over mijn hoofd en terwijl hij tranen in zijn ogen had. Toen zei de heilige profeet (vzmh): ‘Oh Heer, Ja’far heeft voorrang gekregen op Uw pad, dus zorg alstublieft dat zijn kinderen zijn dapperheid erven.’ Toen zei hij: ‘Asma, wil je dat ik je goed nieuws vertel? De Almachtige God heeft Ja’far een paar vleugels gegeven waarmee hij door het Paradijs vliegt.’ Asma zei: ‘Vertel de mensen hierover.’ De heilige profeet (vzmh) stond op, nam me mee en kwam bij de moskee. Toen ging hij op de minbar zitten en liet mij op de lagere trede zitten. Met een treurige houding zei hij: ‘Een man wordt in zijn voetsporen gevolgd door zijn zonen en neven. Ja’far is de martelaarsdood gestorven en de Almachtige God heeft hem een paar vleugels gegeven om in het Paradijs mee te vliegen.’ Toen kwam hij naar beneden en nam me mee naar zijn huis en vertelde de mensen daar dat ze mij eten moesten geven. Hij riep mijn broer bij zich om dezelfde reden. We bleven drie dagen lang in zijn huis. De heilige profeet nam ons mee naar de vertrekken van zijn echtgenotes en stuurde ons na drie dagen naar huis. Op een dag kwam hij naar ons huis, terwijl ik met mijn broer aan het spelen was en deed alsof ik een schaap van hem kocht. De profeet (vzmh) bad dat ik een expert op het gebied van handel was en door zijn gebeden heb ik altijd winst gemaakt in al mijn transacties.’

Volgens een overlevering van Urwah gebeurde het dat toen de moslims terugkwamen van de Slag bij Mutah en de profeet en zijn metgezellen naar buiten kwamen om hen te ontvangen, de mensen uit de stad stof gooiden in de gezichten van de verslagen mannen en hen beschimpten als ‘weglopers’. De profeet zei daarop dat zij een dergelijke verwijtende bijnaam niet verdienden en dat zij een volgende keer insha’Allah op een meer succesvolle manier zouden vechten.

Ibn Abil Hadid vertelt dat de bevolking van Medina zoveel schande uitriep over het leger zoals nooit tevoren. Toen de officieren thuis aanklopten, deden hun families niet open. In plaats daarvan beschimpten zij hen, door te zeggen: ‘Waarom ben je niet samen met je kameraden bij Mutah verslagen?’ Uit schaamte durfden de mannen hun huizen daarna niet te verlaten totdat de profeet (vzmh) hen getroost had en hun excuses voor hun nederlaag had geaccepteerd.

In Istiab wordt vermeld dat toen Ja’far het martelaarschap verkreeg, hij eenenveertig jaar oud was. En Ibn Abil Hadid vertelt op basis van een overlevering van Imam Ja’far us-Sadiq (vzmh) dat de boodschapper van God ooit zei: ‘Mensen zijn gemaakt van verschillende bomen (uit verschillend hout gesneden) en Ja’far is gemaakt van één enkele boom.’ Hij zou ook ooit aan Ja’far hebben verteld: ‘Jij bent net als ik, zowel qua gedrag als qua hoe je in elkaar zit.’ En Saeed bin Musayyab vertelt dat de heilige profeet (vzmh) zei: ‘Aan mij werden de gezichten van Ja’far, Zaid en Abdullah bin Rawaha getoond (in het hiernamaals). Ze zaten in een tent op een troon van smaragd. De nek van Zaid en die van Abdullah bin Rawaha waren gebogen maar die van Ja’far was recht. Ik vroeg ernaar en werd verteld dat op het moment dat hun dood nabij was, de eerste twee een beetje van het slagveld weg probeerden te kijken, maar Ja’far deed dat niet.’

Volgens Ibn Babawayh, die zich baseert op een overlevering van Imam Mohammed Baqir (vzmh), openbaarde de Almachtige God aan de profeet dat Hij vier kwaliteiten van Ja’far bin Abu Talib liefhad. Daarop vroeg de profeet ernaar bij Ja’far. Deze zei: ‘Als de Almachtige het u niet verteld had, dan zou ik ze nooit aan u onthuld hebben. De eerste is dat ik nooit wijn geproefd heb, want dat vernietigt het intellect. Ten tweede: ik heb nooit gelogen, want dat vernietigt de waardigheid en de bescheidenheid. En ik heb nooit overspel gepleegd met de vrouw van iemand anders, want ik weet dat iemand anders dat dan ook met mijn vrouwen zou kunnen doen. En ik heb nooit de afgoden aanbeden omdat ik weet dat zij mij noch kunnen schaden noch kunnen begunstigen.’ De heilige profeet (vzmh) legde zijn hand op zijn schouder en zei: ‘Jij verdient het om een paar vleugels te krijgen waarmee je met de engelen kan vliegelen.’ En Sheikh Tusi vertelt dat de heilige profeet (vzmh) aan de heilige Fatima (vzmh) vertelde: ‘Onze martelaar is beter dan alle martelaars en hij is jouw oom, Ja’far, die van ons is; de Almachtige God heeft hem een paar vleugels gegeven om met de engelen te vliegen.’

Volgens betrouwbare bronnen zat de heilige profeet tijdens de Slag bij Mutah op de minbar in Medina, terwijl er sluiers van zijn ogen werden weggetild en hij de veldslag zag. Hij zag hoe Ja’far op speren werd opgetild en hij wendde zich tot de hemelen en bad: ‘Oh Heer, verneder mijn neef niet.’ De Almachtige God gaf hem een paar vleugels waarmee hij direct naar het Paradijs vloog. Daarom wordt hij Zuljunahin genoemd.

Abu Hamza Thumali vertelt dat Imam Zain-ul-Abideen (vzmh) huilde terwijl hij keek naar Ubaidallah, de zoon van Abbas ibn Ali, de vaandeldrager van Imam Hussain (vzmh). Hij zei: ‘Er is geen dag zo erg geweest als de dag van de Slag bij Uhud, toen Hamza, de leeuw van God, de martelaarsdood vond. Daarna komt de dag van de Slag bij Mutah toen Ja’far bin Abu Talib gedood werd.’ Toen zei hij: ‘Er is geen dag zoals de dag van Imam Hussain (vzmh), toen 30.000 mannen tegen de Imam kwamen en zij claimden allemaal moslims te zijn en zij dachten dichter bij God te komen door hem te doden. De Imam probeerde alle middelen om hen te adviseren en te waarschuwen tegen God’s toorn maar zij doodden hem vol onrechtvaardigheid.’ Toen zei hij: ‘Moge God genade hebben met mijn oom, Abbas, die zijn leven offerde voor zijn broer. Toen de onderdrukkers zijn handen afhakten, gaf de Almachtige God hem een paar vleugels waarmee hij in het Paradijs met de engelen vliegt, net zoals Hij een paar vleugels gegeven had aan Ja’far bin Abu Talib. En de status van oom Abbas is zo hoog dat alle martelaren ernaar zullen verlangen op de Dag des Oordeels.’

Bron: Hayat al Qulub, volume II.

© Copyright Ahlalbait Jongeren 

Afdrukken