De tragedie van Karbala

In de naam van Allah, de meest Barmhartige de meest Genadevolle

 

Vertrek naar Mekka

In de stad Medina bereidde Imam Hussein (a) samen met ongeveer 70 familieleden en aanhangers zijn vertrek voor. Alle vrienden en verwanten die de bedoeling van Imam Hussein (a) kenden waren ongerust en hadden hem afgeraden om dit te doen, hem herinnerend aan de verraderlijke mentaliteit van Banu Omayya (de stam waar Mo'aawiya en zijn zoon Yazid vandaan komen) in het verleden. Zo verzochten zij Imam Hussein (a) zijn reis naar al Koefa (Irak) niet te maken. Maar Imam Hussein (a) antwoordde: "Ik heb een besluit genomen in dit verband en ik zal binnen enkele dagen naar de stad Koefa vertrekken.”  Imam Hussein (a) ontmoette ook mensen die hem adviseerden om bijvoorbeeld ergens in de woestijn te verdwijnen en dat hij moest vluchten, omdat Yazid mensen stuurde om hem te vermoorden (“al zat hij aan de muur van de Ka'ba te bidden” volgens de woorden van Yazid!). Maar hij weigerde dit en hij wist al dat hij vermoord zal worden.

Dit was de belofte van zijn grootvader (s). Ooit heeft de profeet (s) Imam Hassan (a) op zijn mond gekust en Imam Hussein (a) bij zijn nek. Fatima, de dochter van de profeet (a), vroeg waarom hij Imam Hussein (a) niet op zijn mond kuste. Hij zei ik kuste Imam Hassan (a) op zijn mond omdat hij vergiftigd zal worden en ik kuste Imam Hussein (a) bij zijn nek omdat daar de zwaarden zullen vallen! Imam Hussein (a) zei dat hij de dood tegemoet wil komen anders worden de mensen niet wakker geschud uit hun angst, oppressie en onderdanigheid en dat anders de Islam voorgoed zou verdwijnen. Hij zei ook dat Allah (swt) hem dood wil zien.

Een brief van Abdullah ibn Jafar aan Imam Hussein (a)

Een van de mensen die Imam Hussein (a) een brief schreef om zijn besluit te veranderen was zijn neef Abdullah ibn Jafar (ra):

"Ik smeek u in naam van Allah (swt) om van uw plan te veranderen want het brengt uw dood en vernietiging voor uw familie en metgezellen met zich mee. Uw dood zal het licht van de aarde doven; tot heden bent u het baken der licht van geloof en het centrum van de hoop van de gelovigen. Maak geen haast in het ondernemen van de reis."

Vertrek naar Irak

Imam Hussein (a) bereikte zijn eerste stop tijdens zijn reis: Mekka. In Mekka begon Imam Hussein (a) aan zijn laatste bedevaart. Daar hoorde hij van mensen dat Yazid soldaten die in bedevaartskleren waren naar Mekka had gestuurd om hem te doden, daarom begon hij meteen aan zijn vertrek omdat hij zijn bloed niet wilde overlopen op heilige grond (al Masjid-al-Haraam, in de Islam is het hier verboden om iemand zelfs op de kleinste manier te verwonden laat staan vermoorden).

De nacht voor zijn vertrek sliep hij bij het graf van zijn grootvader de profeet (s) en de volgende dag gingen ze richting Irak.

 

Onderweg naar Irak hoorde Imam Hussein (a) van een aantal mensen wat er in de stad Koefa allemaal was gebeurd en dat zijn neef Moslim ibn Aqiel vermoord was. Hierop draaide Imam Hussein (a) zich naar zijn metgezellen en zei: "O mensen! Ik heb zeer teleurstellend en vreselijk nieuws vanuit Koefa ontvangen; Moslim ibn Aqeel en Hani ibn Orwa zijn vermoord; Koefanen hebben ons met wanhoop vervuld; Ik stel voor dat jullie ons verlaten aan de Genade van Allah; er zal niet de minste wrok van onze kant zijn." Deze aankondiging van Imam Hussein (a) gaf integendeel sterkte aan zijn metgezellen en familieleden om de reis door te zetten. Ook ontmoette Imam Hussein (a) iemand die hem smeekte om niet door te gaan met zijn reis. Maar hij zei dat het Allah's wil is en dat zijn vijanden hem niet zullen laten totdat ze zijn hart uitrukken en niets van hem overlaten (de Profeet had hem precies en in detail verteld wat er met hem zal gebeuren), Allah (swt) zal hen op aarde en op de hemel vernederen voor hun daad.

Aankomst in Karbala

Imam Hussein (a) ging door en uiteindelijk kwam hij met de 70 aanhangers en familieleden (waaronder zijn zus Zainab die alles mee heeft gemaakt en dit aan de wereld vertelde) aan bij Karbala, een woestijnachtige grond net buiten Koefa langs de rivier al Furaat. Hier kwamen ze een groot leger van Yazid tegen geleid door Omar ibn Sa'd. Sommige historici zeggen dat het rond 80.000 soldaten waren, anderen zeggen 50.000 maar de meesten zijn ermee eens dat het niet onder de 30.000 was. 

Imam Hussein (a) heeft dit leger aangesproken: 

"O mensen van Koefa. Ik kwam hier op uw verzoek die u mij deed in uw brieven. U nodigde mij uit telkens om u te leiden als Imam.” 

"O mensen! De Heilige Profeet (s) zei dat wie een heerser tegenkomt die wreedheid begaat en Goddelijke grenzen overtreedt, breekt de band die met Allah (swt) werd gemaakt, overtreedt de soenna van de Profeet (s) en regeert over de mensen met dwang, als zo'n persoon in zo'n geval zich tegen die heerser niet verzet met woord en daad, dan zal Allah (swt) hem geen plek verlenen in het Hiernamaals. Kijk! Zij zijn de aanhangers van de Shaitan geworden en verzetten zich tegen de bevelen van Allah (swt). De corruptie is verschenen. Zij overtreden de grenzen die door Allah Ta'ala worden opgelegd. Wettig wordt onwettig gemaakt en onwettig wordt tot wettig gemaakt. Ik zal u leiden naar de waarheid en rechtvaardigheid. Uw talrijke brieven werden ontvangen en de boodschappers benaderden me met bericht van trouw. U hebt uw woord ertoe verbonden noch mij te verraden, noch zou u me aan mijn vijanden overhandigen. Als u bij uw belofte blijft, zult u op de juiste pad zijn. Echter, het is niet buiten onze verwachting als u de belofte breekt. U handelde op een soortgelijke manier met mijn neef. Wie op u vertrouwt, is eigenlijk onder de macht van illusie. Kijk uit! U hebt zich reeds berokkend en zelfs nu blijft u zich zelf aan het berokkenen. Wie de belofte breekt, zal het in het nadeel van zijn eigen zelf breken. Allah zal me spoedig van uw handen redden. Wassalaamu Alaikum wa rahmatullah wa Barakatuh.”

Zuheir (een van de metgezellen van Imam Hussein (a) antwoordde: "O kleinzoon van de Heilige Profeet! Moge Allah met u zijn. Wij hebben naar uw toespraak geluisterd. Bij Allah! Als de wereld eeuwig was en wij daarin voor altijd zouden leven, dan zijn wij zelfs bereid om ons leven op te geven om u te hulp te komen. Wij willen eerder met u sterven dan een eeuwig leven te leiden.”

Hij heeft hen gevraagd om te denken waar ze mee bezig zijn en wie hij is die ze willen vermoorden. Niet omdat hij voor hen bang was want hij wist precies en in detail wat ze met hem zouden doen, maar hij was juist bezorgd over hen en wat ze van Allah (swt) te wachten stond voor hun daad. Hij heeft hen hun brieven laten zien waarin ze schreven dat hij kon komen voor de "Bei3a" (Opvolging). Ze waren sprakeloos.

Omar ibn Sa'd (legeraanvoerder) kreeg een brief van de gouverneur van Koefa (Obeid ibn Ziyad): "Vraag Imam Hussein (a)  en zijn metgezellen eerst om bei'3a (overeenkomst) te sluiten met Yazid. Yazid zal over hem regeren en dan zullen wij zien wat gedaan moet worden. Zorg ervoor dat Imam Hussein (a) niet bij het water kan en dat aan Hussein (a) en aan zijn metgezellen ook geen druppel water wordt geleverd." Het leger had zich aan de oever geplaatst zodat niemand kon drinken.

Woorduitwisseling tussen mannen van beide legers

Van de kant van Imam Hussein (a) kwam Habieb ibn Mothaahir naar voren en zei: "De ergste mensen in het zicht van Allah Ta'ala zijn de mensen die zichzelf voor Hem tonen met hun handen besmeurd met het bloed van de nakomelingen van de Heilige Profeet (s)".

Orwa ibn Qais van het leger van Yazid zei: "Schep zoveel op als je wilt. Ga door met je propaganda over goed- en zuiverheid." 

Hierop zei Zuheir: "Vrees Allah en wees geen medeplichtige met de kwaden door de onschuldigen te doden.”

Orwa zei: "O Zuheir! Jij was voorheen geen aanhanger van deze familie. Was jij niet eerder een aanhanger van Uthman? 

Zuheir antwoordde: "Geen twijfel, het is waar. Ik schreef noch een brief aan Hussein (a) noch stuurde ik een boodschapper naar hem toe maar deze reis had ons samen herenigd op de weg. Ik zag hem; dat herinnerde me aan de Heilige Profeet (s) en ook zijn liefde en affectie voor Hussein (a). Toen ik merkte dat hij geconfronteerd werd met een machtige vijand, plaatste Allah (swt) liefde in mijn hart voor hem. Het is allemaal toe te schrijven aan mijn liefde voor de Heilige Profeet (s) dat ik besloten heb om hem te helpen en de rechtvaardige van Allah (swt) en Zijn Heilige Laatste Boodschapper (s) te beschermen die u veronachtzaamd hebt."

De zorg van Imam Hussein (a) voor zijn metgezellen

Het leger van Yazid trok zich even terug. Hierop draaide Imam Hussein (a) naar zijn familieleden en zei: 

"Alhamdulillah voor alles. Ik ben Hem in een uur van nood evenals gemak dankbaar. Ik ben Allah dankbaar die Nubuwwah (profeetschap) op onze familie verleende; gaf ons begrip van de Heilige Koran en zegende ons met de gaven van het zien, het horen, en van het nemen van een les. O mensen, Ik heb geen betere en bewustere mensen gezien als mijn metgezellen of meer sympathieker dan mijn Ahlalbait (familie). O mensen! Moge Allah (swt) u belonen. Ik geloof dat morgen de definitieve dag van besluit tussen mij en mijn vijanden zal zijn. Na een diepe overweging, stel ik voor dat u zich stil van deze plaats verspreidt. Na het nemen van mijn leven, zal de vijand u niet achteraan gaan. Vandaar adviseer ik u om samen met mijn familieleden zich te verspreiden."

Nadat familieleden dit hadden gehoord waren ze uiterst geraakt. Abbas (broer van Hussein (a)) zei: "Waarom?  Wilt u dat wij na uw dood zouden moeten overleven? Moge Allah (swt) ons niet levend houden om die dag te zien.”

De familieleden van Moslim ibn Aqiel werden geadviseerd om terug te gaan, aangezien de moord van Moslim een te groot offer was. Zij antwoordden eenstemmig: "Als wij verspreiden, zullen de mensen ons beschuldigen dat wij onze leider en neef verlieten. Zij zullen zeggen dat we geen pijl wierpen, geen speer gegooid, noch het zwaard genomen. Nooit! Wij zullen het nooit doen. Wij zouden ons bezit , leven en nageslacht offeren. Wij zullen samen met u vechten. Wij zullen hetzelfde lot als die van u ontmoeten. Moge Allah (swt) ons niet in leven houden als u de wereld verlaat.”

Andere metgezellen van Al-Hussein (a) stonden ook op en verzekerden hem van samenwerking. Moslim ibn Ausaja al Asdi stond op en zei: "Moeten wij u alleen laten? Bij Allah (swt), wij zullen u nooit alleen laten. 

Sa'd ibn Abdullah al-Hanafi zei: "Bij Allah, Ik zal u niet alleen laten totdat zij mij doden, mij branden en mijn as in de lucht blazen. Ik ben bereid om dit lot zeventig keer mee te maken totdat ik door steun aan u zal vergaan."

Zuheir zei: "Bij Allah, Ik ben bereid om duizend keer met een zaag te worden gesneden dan u alleen te laten. Ik zal gelukkig zijn als ik u en uw familieleden kan redden ten koste van mijn leven."

Al Sayyida Zainab (a) zus van Al-Hussein (a)

Toen de zus van Imam Hussein (a), Zainab (a) op de hoogte was van het onvermijdelijke begon zij te huilen. Imam Hussein (a) probeerde haar te kalmeren: "Wat is al dit zus? Ik ben bang dat ons geloof door onze emoties wordt overweldigd. " Zainab bleef erg bezorgd over het lot van haar broer en zijn metgezellen. Toen Imam Hussein (a) dit merkte hield hij een toespraak over Sabr (geduld en volharding).

Nachtgebed

Imam Hussein (a) en zijn metgezellen bleven de hele nacht bidden. Imam Hussein (a) reciteerde luid de volgende ayaat (versen) uit de Heilige Koran: 

"En laat de ongelovigen niet denken dat het uitstel, dat Wij hun geven, goed voor hen is; Wij geven hun slechts uitstel, zodat zij in zonde toenemen; er zal voor hen een vernederende straf zijn. Allah is niet zo dat Hij de gelovigen in de toestand laat waarin zij verkeren, totdat Hij de kwaden van de goeden scheidt.”  (Koran 3:178-179)

De derde dag in Karbala (de 10e van de maand Muharram) het begin van de strijd

Imam Hussein (a) en zijn metgezellen en familieleden (Ahlalbait van de Profeet (s)) en kinderen bleven 3 dagen in Karbala. 

Iedereen leed aan de dorst maar het ergste was voor de kinderen. Het leger had ze nu omringd. Op de 3e dag zette Omar ibn Sa'd zijn troepen naar voren om de strijd te beginnen. Imam Hussein (a) nam een blik naar dat leger die als een zee leek en hief zijn handen richting de hemel:

"O Allah, Ik vertrouw op u in het uur van nood en ramp. U bent mijn beschermer in elk ongeluk. Vrienden zijn tot vijanden gekeerd. De vijand verheugt zich. U bent de Meester. U bent barmhartig." 

Imam Hussein (a) sprak de vijanden nogmaals toe: 

"O mensen! Als u geweten hebt neem dan de tijd en denk na wie ik ben. Ben ik niet de zoon van de dochter van uw Profeet (s) en de zoon van zijn neef?  Was Hamza (a) de leider van Shuhadaa (martelaars), niet de oom van mijn vader? Is Ja'far al-Tayyar (r.a) niet mijn oom? Herinnert u niet de bekende woorden van de Profeet (s): Sayyids (Leiders) van de jongeren van Paradijs betreffende mij en mijn broer? Als mijn verklaring waar is, en het is zeker waar, vertel me is het dan juist om met zwaarden ontvangen te worden?" Als u niet in mijn woord gelooft, dan zijn er personen onder u die aan de juistheid van mijn verklaring kunnen getuigen. Vraag Jabir ibn Abdullah al-Ansari en Abu Sa'id al-Khudri. Vraag Sahl bin Sa’d Sa’idi en Zaid bin Arqam. Zij kunnen u vertellen wat zij van de Heilige Profeet (s) betreffende mij en mijn broer (a) hoorden zeggen. Bij Allah (swt), er is geen kleinzoon van de Heilige Profeet (s) op de oppervlakte van de aarde op dit moment behalve mij. Ik ben de directe nakomeling en de kleinzoon van uw Profeet (s). Vertel me, heb ik het leven van iemand van u ontnomen? Heb ik u iets ontnomen? Wat is het probleem?"

Meerdere malen heeft Imam Hussein (a) hen dit gevraagd maar niemand gaf antwoord. Uiteindelijk riep hij vooraanstaande mensen uit Koefa en vroeg hen of ze niet het volgende schreven: 

"De vruchten zijn rijp, de grond is groen geworden en de kanalen lopen over. Als u komt, zult u een groot leger, die in dienst van u zal zijn, tegenkomen; kom spoedig."

Op dat moment openden die personen hun mond en zeiden dat zij dit nooit hadden geschreven. Imam Hussein (a) was verrast door hun antwoord en zei: "Bij Allah (swt) jullie liegen en hier zijn uw brieven."  Een van Koefanen genaamd Qais ibn al Ash'ath zei: "Is het niet raadzaam dat u aan uw neven zou moeten overgeven? Zij zullen u waardig behandelen. U zult geen kwaad van hen ontvangen." 

Hierop beantwoorde Imam Hussein (a): "Nee, ik zal me niet met vernedering overgeven en ik zal niet als een slaaf vluchten.”

Zuheir spreekt de mensen van Koefa toe

Zuheir ging naar de vijand op zijn paard en zei: "O mensen van Koefa, vrees van de toorn van Allah (swt). Het is een plicht van elke moslim om zijn broeder moslim te adviseren. Wij zijn allemaal moslims tot op dit moment. Wij hebben hetzelfde geloof en dezelfde Shari'ah. Zolang de zwaarden in hun scheden blijven, verdient u onze raad. Maar wanneer de zwaarden getrokken worden, zal wederzijds respect verdwijnen en zullen we tot twee strijdende groepen splitsen. Allah (swt) test onze trouw aan de nakomelingen van Heilige Profeet (s). Wij roepen u voor de liefde van Ahl al Bayt (Familie van de profeet) en te strijden tegen Obeid ibn Ziyaad. Heb zekerheid dat jullie niks zullen verdienen van deze heersers. Zij zouden u blind maken; zij zouden uw handen snijden; zij verminken uw gezichten; zij zouden u aan de bomen hangen en zouden de vrome mensen één voor één doden en dat hebben zij al gedaan. De moord van Hajar ibn Adi en Hani ibn Orwa zijn niet zo oud geworden dat u die bent vergeten."

Nadat de Koefanen dit hebben gehoord begonnen ze Zuheir te vloeken en boden ze lof voor Obeid Ibn Ziyad aan en zeiden: "Bij Allah, wij zullen niet terugkeren totdat wij Hussein en zijn metgezellen doden of hen voor de leider plaatsen."

Al- Hurr sluit bij het leger van Imam Hussein (a) aan

Al Hurr ibn Ziyaad al Riyaahi was een bekende stamleider in Irak en stond aan de zijde van het leger van Yazid tegen Imam Hussein (a). Al-Hurr luisterde naar wat er werd gezegd. Al-Hur vroeg Omar ibn Sa'd of hij daadwerkelijk tegen Hussein (a)) wilde vechten. Ibn Sa'd antwoordde: "Ja, er zal een strijd komen waarin de hoofden zullen worden afgesneden en de handen van de schouders zullen worden afgerukt."

Na dit te hebben gehoord, verliet Al-Hurr zijn plaats en ging langzaam naar het kamp van Imam Hussein (a). Een van de mensen van de stam van Al-Hurr (Aws ibn Muhajir) vroeg Al-Hurr of hij Imam Hussein (a) wilde aanvallen. Al-Hurr zweeg. Hem verdenkende door zijn zwijgen zei Muhajir: "Ik heb u nooit in een dergelijke staat gezien tijdens welke oorlog dan ook. Als ik gevraagd zou worden om de moedigste man in Koefa te noemen, kan ik niemand aanwijzen dan u. Maar wat doet u nu? "

Al-Hurr antwoordde: "Bij Allah, ik maak een keus tussen de Hel en het Paradijs. Bij Allah, ik heb voor het Paradijs gekozen, ook al word ik in stukken gesneden." Met deze woorden stapte hij van zijn paard af en sloot hij zich aan bij het leger van Imam Hussein (a).

Hij stelde zich voor aan Imam Hussein (a) en zei: "O Kleinzoon van de Heilige Profeet! Ik ben dezelfde ongelukkige persoon die u verhinderde terug te gaan. Ik achtervolgde u tijdens uw reis en dwong u tot deze plaats. Ik heb nooit gedacht dat deze mensen niet naar uw woorden zouden luisteren en tot het extreme uiterste zouden gaan. Bij Allah, als ik zou weten dat zij op deze wijze zouden handelen, dan had ik nooit gedaan wat ik eerder deed. Ik ben beschaamd door mijn misdaad en kom naar u in berouw. Ik wil mezelf offeren en ik denk dat dit als boetedoening dient".  Imam Hussein (a) zegende hem vriendelijk en zei: "Moge Allah uw berouw goedkeuren en u vergeven. Aangezien uw moeder u Hurr (vrije mens) heeft genoemd, zult u insha'Allah zowel in deze wereld als in het hiernamaals een vrij mens blijven".

Hurrs toespraak aan de vijand

Al-Hurr richtte zich toen naar de vijanden en zei dat zij de voorwaarden van Imam Hussein (a)  moesten accepteren en hem vrij moesten laten als ze het niet met hem eens wilden zijn zodat Allah (swt) hen van een zware beproeving zou kunnen redden. Ze zeiden dat zijn vraag door hun bevelhebber Omar ibn Sa'd beantwoord zou worden. Omar zei dat hij zelf wenste om dit bod goed te keuren, maar dat zijn voorstel door zijn leiders werd verworpen. Daarna hield Al-Hurr een toespraak en beschaamde de inwoners van Koefa door het verbreken van hun belofte. In antwoord hierop begonnen zij pijlen op hem af te schieten. Al-Hurr werd gedwongen om naar het kamp terug te keren.

Toen de oprechte inspanningen van Imam Hussein (a) om de vijand tot rede te brengen faalden, werd het conflict onvermijdelijk. Omar ibn Sa'd nam een pijl en wierp die richting het kamp van Imam Hussein (a) en zei: "Wees getuige dat ik de eerste pijl naar Hussein (a) heb geworpen".

Yasar en Salam, de slaven van Obeid ibn Ziyaad kwamen naar voren en daagden het leger van Imam Hussein (as) uit voor een één-op-één gevecht. Van het leger van Imam Hussein (a) kwamen Habieb ibn Mothaahir en ibn Hasir naar voren om deze uitdaging aan te gaan, maar Imam Hussein (a) stond hen niet toe om te vechten. Vervolgens stond Abdullah ibn Amir al-Kalbi op en vroeg om toestemming om de uitdaging aan te nemen. Deze man kwam samen met zijn vrouw uit Koefa om Imam Hussein (a) te steunen. Hij was lang, had brede schouders,sterke ledematen en zag er in alle opzichten uit als een echte strijder. Na hem te hebben gezien was Imam Hussein (a) verheugd dat hij er als een ware strijder uit zag en de imam stond  hem toe om de uitdaging aan te gaan. In een korte tijd had Abdullah zijn beide strijders uitgeschakeld. Zijn vrouw Umm Wahab stond met een stok in haar hand en riep haar man op om te vechten. Plotseling werd zij zo hartstochtelijk dat zij naar het slagveld begon te lopen. Imam Hussein (a) werd diep geraakt door haar enthousiasme en zei: "Moge Allah u belonen voor de steun aan Ahl al Bayt, maar strijden is niet toegeschreven aan de vrouwen."

Later volgde een grote slag. In het begin kwamen de ridders van beide kanten in antwoord op de uitdaging om tegen elkaar te strijden. Iedere uitdager van de strijdende legers die naar voren kwam werd door de metgezellen van Imam Hussein (a) gedood. Bij het zien van deze ontmoedigende start schreeuwde Omar ibn al-Hajjaj die het bevel had van de rechter kant: 

"Dwazen! Realiseer eerst met wie u vecht. Deze mensen zijn niet bang voor de dood! Op deze wijze zullen jullie één voor één worden gedood. Zij zijn slechts een handvol zielen. U kunt hen zelfs met stenen doden."

Omar ibn Sa'd keurde die suggestie goed en verbood individueleduels. Beide kanten kwamen in een keer op elkaar af. Na enige tijd, toen het vechten stopte, zag men dat de moedige held Moslim ibn Awsaja die aan de kant van Imam Hussein (a) vocht, met bloed op het zand lag. Imam Hussain (a) rende naar hem toe. Moslim ademde nog. Imam Hussain (a) betreurde dit met een diepe ademhaling en zei: "Moslim! Moge Allah zijn zuiverste zegeningen over u laten neerdalen, sommigen van hen zijn reeds gestorven en anderen wachten op hun dood. Maar ze blijven stevig op het juiste pad en zijn geenszins veranderd"

Moslim ibn Awsja was de eerste martelaar van de kant van Imam Hussain (a). Nadat het leger van Yazid zag dat ze niet snel vorderden, vroeg hij om versterking en liet vijfhonderd schutters hun pijlen naar de paarden van de aanhangers van de imam richten. De krijgers moesten nu te voet. Omar ibn Sa'd gaf opdracht om de tenten te laten verbranden. Enkele mannen van Imam Hussain (a) probeerden dit met man en macht tegen te houden, maar tevergeefs. Enkele tenten verbrandden. 

Op dat moment zette Zuheir ibn al-Yaqin een sterke aanval op de troepen van Shimr ibn thal'Jawshan (al Shimr was een legeraanvoerder van Yazid die het meeste haat had en het meest tevreden was met deze daad) maar hij hield dit niet lang vol. In een korte tijd verzamelde de vijand zijn krachten bijeen. Nu was de uitputting van de strijders van Imam Hussain (a) duidelijk. Verscheidene strijders en grote leiders werden één voor één gedood. Abdullah ibn Amir al-Kalbi was een van hen. Zijn moedige vrouw Umm Wahab was op het slagveld en veegde het stof van het gezicht van haar martelaar. Ze zei herhaaldelijk: "De groeten aan u voor het bereiken van een woonplaats in het Paradijs." al Shimr zag haar en vermoorde haar terplekke.

Het verbieden van het gebed

Abu Thumama Amr ibn Abdullah Samdi realiseerde zich zijn hulpeloosheid en zei tegen Imam Hussain (a): "De vijand komt snel dichterbij. Bij Allah, Ik zal u zelfs ten koste van mijn leven verdedigen. De vijand zal u niet berokkenen zolang ik in leven ben. Echter, het is mijn wens om mijn gebeden te doen vóór het ontmoeten van mijn Rab". Nadat Imam Hussain (a) dit had gehoord hief zijn hoofd op en zei: "Vraag de vijand om ons uitstel te geven voor het doen van gebeden". Maar de vijand accepteerde hun verzoek niet en de slag ging verder.

Martelaarschap van Habieb en Al-Hurr

Het was een zeer moeilijke tijd. De vijand had gedurende de slag zijn volledige krachten ingezet. Habieb ibn Mothaahir die de rechterkant had geleid werd gedood. Het was een groot verlies voor de strijders van Imam Hussein (a). Vervolgens was de beurt aan Al-Hurr die met enthousiasme rechtstreeks naar de vijandelijke troepen liep terwijl hij zei: 

"Ik heb gezworen niet dood te gaan totdat ik ze gedood heb. Ik zal slechts sterven terwijl ik vooruitga. Ik zal noch vrees hebben noch vluchten". Hij viel de vijand dapper aan en uiteindelijk, met pijn en vermoeidheid door fatale wonden, gaf hij zijn leven op.

Martelaarschap van Zuheir

De middag was voorbij. Na het gebed steeg de druk van de vijandZZuheir ibn al-Yaqin die de linkerkant had geleid begon de vijand aan te vallen en zei: "Ik ben Zuheer, zoon van al-Yaqin. Ik zal hen met het punt van mijn zwaard van Imam Hussein (a)   weg houden". 

Na het verspreiden van de vijandelijke troepen ging hij terug naar Imam Hussein (a) en zei:  "U zult vandaag met uw grootvader, de Heilige Profeet (s), met Imam Hassan (a), Imam Ali (a), Ja'far al-Tayyar, en de levende martelaar Asadullah Hamza (ra) herenigd worden". 

Toen richtte hij zich op de vijand en doodde een aantal van hen tot hij zelf werd gedood.

Dapperheid van de Ghiffari broers

De metgezellen van Imam Hussein (a) realiseerden zich nu dat het voor hen vrij onmogelijk was om de vijand tegen te houden. Daarom besloten zij om zich één voor één op te offerenDe Ghiffari broers gingen voorop en begonnen met de vijand te vechten. Tijdens het vechten reciteerden zij de volgende verzen: 

"Bani Ghaffar en stammen van Nazar, wees bewust dat wij de wrede mensen in stukken zullen snijden met onze zwaarden. O mensen! Steun de vrome mensen met uw speren en uw zwaarden".

Opoffering van de Jabiri broers

Vervolgens kwamen de twee Jabiri broers huilend naar voren. Imam Hussein (a)  zei aan hen: "O zonen van mijn broer! Waarom huilt u? Bij Allah, ik geloof dat u na een paar minuten gedood zal worden". Zij antwoordden dat zij niet om hun leven huilden maar omdat ze zagen dat de vijand hen had omringd en dat ze Imam Hussein (a) niet meer konden redden. Daarna begonnen beiden moedig te strijden en zeiden: "As-Salaamu alayka O zoon van de Heilige Profeet!" Imam Hussein (a) antwoordde: "Wa ‘alaykum-us-Salaam wa Rahmatullah".  Na een tijdje werden zij ook gedood.

Martelaarschap van Hanzal ibn As'ad

Hierna stond Hanzal ibn As'ad vóór de vijand en schreeuwde: "O mensen! Ik vrees voor u dezelfde ramp die de naties Aad en Thamud overkwam. Ik vrees uw vernietiging. O mensen! Dood Imam Hussein (a) niet voordat Allah zijn ramp op u zou verzenden".  Hij vocht dapper totdat hij gedood werd.

Martelaarschap van Ali al Akbar, de zoon van Imam Hussein (a)

Alle metgezellen waren inmiddels gedood. Het was de beurt aan Bani Hashim en de familie van de Heilige Profeet (s). Ibn Moslim zei: "Ik zag een jongeman uit de tent komen die net de maan leek. Ik zag Imam Hussein (a) hem omhelzen en afscheid van hem nemen en ik zag Imam Hussein (a) zijn gezicht naar de hemel richten en ik hoorde hem huilend zeggen: "Allah U getuigt dat naar hen is gegaan degene die het meest op Uw profeet qua uiterlijk en manieren lijkt en als we naar het gezicht van UW profeet verlangden dan keken we naar het gezicht van Ali."

Jaren voor deze gebeurtenissen leefde een christelijke man in Medina. Deze man had ooit van de profeet Mohammad (s) gedroomd. De profeet (s) had hem verzocht om moslim te worden. Toen hij wakker werd, besloot hij om moslim te worden. De man vroeg bij wie hij moest zijn en de mensen wezen hem naar Imam Hussein (a) toe. Toen hij zijn droom aan Imam Hussein (a) had verteld, vroeg Imam Hussein (a) zijn zoon Ali al Akbar om te komen. Op het moment dat Ali al Akbar (a.s) de kamer binnenkwam en de man hem zag viel de man flauw. Toen de man wakker werd zei hij: "Bij Allah dit is degene die ik in mijn droom zag".  Imam Hussein (a) zei: "Wat denk je ervan als hij de kleinste verwonding krijgt?" De man zei: "Zo'n zoon zou ik met al mijn leven beschermen." Imam Hussein (a) zei: "Wat denk je ervan als hij na enkele jaren door zwaarden in stukjes wordt gesneden?" De man was sprakeloos en huilde.

Ali al Akbar (a) ging naar het slagveld en terwijl hij de vijand aanviel reciteerde hij: 

"Ik ben Ali, de zoon van Hussein, de zoon van Ali. Bij de God van de Ka'bah, wij zijn de dichtsbijzijnden van de Heilige Profeet. Bij Allah, de man die jullie heerst zal ons niet leiden".

Nadat Ali (a) terug was gegaan naar het veld, vroeg zijn moeder aan Imam Hussein (a) om naast haar bij de tent te staan waarna ze zei: "Zo kan ik aan uw gezicht zien of het slecht gaat met mijn zoon in het veld of niet". Imam Hussein (a) bleef naast haar en na een tijdje keek Imam Hussein (a) ernstig. De moeder van Ali (a) vroeg of haar zoon gedood werd. Imam Hussein (a) antwoordde: "Nee, maar er gaat iemand naar hem toe van wie ik vrees dat hij hem iets zal doen. Het is ibn Ghanim". De moeder van Ali (a) zei: "wat kan ik nu doen o Hussein (a)?" Imam Hussein (a) zei: "ga terug naar uw tent en bid tot Allah. Allah hoort de Du'a van de moeder voor haar zoon". De moeder van Ali (a) ging terug naar de tent en deed haar handen omhoog en zei: "O Allah, die Yusuf naar Jakob terugbracht, breng mijn zoon terug naar mij".

Hier hoorde Allah haar du'a en bracht Ali (a) veilig terug nadat hij ibn Ghanim had gedood. Ali al Akbar (a) keerde vermoeid van de dorst terug naar zijn vader. Ali (a) zei: "O vader, geef me een druppel water zodat ik daarna alleen naar het veld ga". Imam Hussein (a) zei: "O mijn zoon, het betreurt mij dat je je vader om water vraagt en dat hij je niet kan helpen. Ga terug naar het veld en je grootvader de profeet zal je straks een slok uit zijn hand geven waarna je nooit meer dorst zal hebben. Zoon voordat je teruggaat;ben je langs je moeder geweest? Ze heeft naar jou gevraagd".

Toen Ali de tenten binnenkwam zag hij de vrouwen van Ahl al Bayt huilden. Ze namen het laatste afscheid van degene die het meest op de profeet (s) lijkt. Vervolgens ging hij naar binnen, naar zijn moeder, en zag hij dat ze al een tijdje buiten bewustzijn was. Hij wist niet wanneer ze weer bij bewustzijn zou komen. Ali (a) ging weer terug naar zijn vader, sprak met hem en ging weer naar het veld. Zainab (a) zag dit en vroeg haar broer Hussein (a) wat Ali (a) tegen hem zei. Imam Hussein zei: "O Zainab, weet je wat Ali tegen mij zei? Hij heeft mij diep geraakt toen hij zei: : "O vader, ik heb een testament." Imam Hussein (a) zei: "wat is uw wens mijn zoon? " Ali (a) antwoordde: "O vader, let op mijn moeder, ik heb haar alleen gelaten toen zij bewusteloos was".

Ali (a) had ongeveer 200 krijgers gedood. Een pijl kwam in zijn mond terecht. Marra ibn Manqaz al-Abadi stak hem met zijn speer op zijn rug en sloeg hem met zijn zwaard achter op zijn hoofd en de mensen vervolgden dit door hem in stukjes te snijden met hun zwaarden. Imam Hussein (a) viel huilend op hem en zei: "Moge Allah het volk dat uw vermoordde vermoorden. Wat een lef hebben zij tegen Allah en de familie van de profeet van Allah". De moeder van Ali (a) kwam pas bij nadat Hussein (a) de in stukjes gesneden Ali (a voor de tent had gelegd.

Al-Qasim, de zoon van Hassen, de zoon van Ali

Andere familieleden volgden naar het front en vochten moedig. Zij offerden één voor één hun leven. Ondertussen verscheen een jongen op het veld die niet eens 12 jaar oud was. Hij droeg eenvoudige kleding en had simpele sandalen op zijn voeten. Zijn gezicht schitterde als een maan. Hij brulde als een leeuw en viel de vijand met zijn immense kracht aan. Amr ibn Sa'd al Azadi sloeg hem met zijn zwaard op zijn hoofd. De jongen schreeuwde: "O oom!" en viel op de grond. Bij het horen van zijn schreeuwen rende Imam Hussein (a) naar hem toe om hem te redden en viel de moordenaar met een zwaard aan. De aanvaller hief zijn hand op ter bescherming en daardoor werd zijn arm afgesneden vanaf de elleboog.

De moordenaar vroeg om hulp. Het leger kwam aan om hem te helpen maar reden door verwarring over hem heen met hun paarden waardoor hij overleed. Ibn Moslim zei dat, toen het stof gezakt was, hij Hussein (a) naast de stervende jongen zag. Imam Hussein (a) zei: "Moge een ramp neerdalen op degenen die u vermoordden. Welk antwoord zullen zij uw grootvader op de Dag des Oordeels geven?  Bij Allah, mijn hart is verscheurd omdat uw oom aan wie u om hulp schreeuwde u niet van de vijand kon redden. De vijanden van uw oom zijn in aantal meer dan zijn vrienden geworden". Daarna nam hij het lijk en drukte het dicht tegen zijn borst aan. Hij bracht het lijk naar de tent met zijn voeten slepend op het zand en legde hem naast het lichaam van Ali al Akbar (a). Deze jongen was al-Qasim ibn al Hassan ibn Ali.

Abbas (a), de broer van Hussein (a)

De kinderen leden aan dorst, maar het leger liet alsnog niemand bij de oever komen. De kinderen schreeuwden om water. Abbas (a) kon deze situatie niet aanzien en niets doen. Imam Hussein (a) zei tegen Abbas (a): "Mijn broer u bent mijn vlaghouder". Abbas (a) zei: "Mijn hart kan het niet meer aan. Ik wil wraak nemen op deze moenafiqeen (huichelaars)". Hussein (a) zei tegen Abbas (a) of hij het leger om water voor de kinderen kon vragen. Abbas (a) ging naar het leger en waarschuwde hen voor de vergelding van de Machtige maar het hielp niet. Abbas (a) ging terug naar Hussein (a) en hoorde de kinderen schreeuwen om water. Abbas (a) nam zijn waterzak en ging op zijn paard richting de oever. Rond vierduizend man stonden aan de oever.

Hij werd overwelmd door hun pijlen maar schonk er geen aandacht aan. Iedere Arabier kende Abbas (a), iedereen kende zijn kracht en zijn vastberadenheid. Al Abbas (a) hij ging vechtend langs deze mannen tot hij de oever had bereikt. Toen hij van zijn paard stapte wou hij een slokje water nemen. Maar op dat moment dacht hij aan Imam Hussein (a) en de huilende kinderen en liet het water uit zijn hand vallen en nam geen enkele druppel. Hij nam water in zijn waterzakje en ging terug richting de tenten, aar het leger had hem in de gaten en versperde hem deweg. Zayd ibn al-Raqqaad en Hakeem ibn al Tofeil al Tanbiti stonden achter een boom. Een van hen hakte de rechterarm van  Abbas (a) met zijn zwaard af. Abbas (a) nam zijn zwaard met zijn linkerhand en zei: "Bij Allah, al snijden jullie mijn rechterarm af dan zal ik mijn geloof altijd beschermen. Ik ben al Abbas en ik ben niet bang voor de dood".

Hakeem ibn al Tofeil kwam van achter de boom en hakte zijn linkerarm af. Abbas (a) drukte de vlag tegen zijn borst. De pijlen kwamen als regen van alle kanten richting Abbas (a). Daarna raakte een pijl het waterzakje. Abbas (a) kreeg overal pijlen op zijn lichaam maar hij bleef standvastig staan. Een pijl kwam tegen zijn rechteroog en iemand sloeg hem op zijn achterhoofd met een houten staaf en hij schreeuwde: "Assalaamoe alayk o broer Hussein." Toen Hussein (a) hem hoorde, stond hij op maar met een gebroken ruggengraat, omdat Abbas (a) zijn ware steun was en alles voor hem betekende. Hussein (a) liep wankelend naar hem totdat hij hem had bereikt. Abbas (a) lag op de grond en kon voetsporen horen maar hij kon niks zien, omdat hij in zijn rechteroog was geraakt en het bloed uit dat oog ook zijn linker oog bedekte.

Abbas (a) zei: "Wie ben jij? Als jij een van de vijanden bent, laat mij dan heel even met rust tot mijn broer komt zodat ik afscheid van hem kan nemen". Hussein (a) zei huilend: "O Abbas, ik ben het, Imam Hussein (a), jouw broer".  Imam Hussein (a) zat naast hem, pakte zijn hoofd en legde die op zijn schoot. Abbas (a) legde zijn hoofd terug op de grond. Hussein (a) zei: "Broer waarom doe je dit, o licht van mijn oog? Ik wil afscheid van jou nemen". Abbas (a) zei: "Mijn broer, je neemt mijn hoofd en zet het op je schoot,.maar straks als de vijand je vermoordt, wie zal dan jouw hoofd op zijn schoot leggen? " Na een tijdje bewoog Abbas (a) niet meer en overleed. Hussein (a) schreeuwde zo hard dat het hele leger hem kon horen. Abbas (a) was de laatste die met Hussein (a) was.

Abdullah de pasgeboren baby van Imam Hussein (a)

Zelfs de baby van Hussein (a) overleefde het niet. Nadat de meeste mannen waren vermoord, vroeg de echtgenote van Imam Hussein (a) of hij voor zijn baby water kon halen bij de vijand, in de hoop dat de vijanden met het kindje medelijden zouden krijgen. Hussein (a) nam het kindje in zijn handen en ging richting het leger. Hij zei: "Als jullie vinden dat we iets verkeerd gedaan hebben, wat heeft deze baby gedaan?" Hierop ontstond onenigheid binnen het leger van Yazid. Sommigen vonden dat aan de baby water gegeven moest worden, anderen vonden weer dat dit alleen mocht gebeuren als Imam Hussein (a) met de eisen van het leger instemt en anderen zeiden weer dat hij geen druppel water zou mogen krijgen.

Water aan Abdullah!

Afbeeelding: Imam Hussain (a) vraagt water voor zijn zoon Abdullah



Toen de legeraanvoerder deze onenigheid zag, beval hij zijn soldaten om te trommelen, zodat de stem van Imam Hussein (a) niet meer gehoord zou worden door de soldaten. Omar ibn Sa'd beval een van de soldaten om de onenigheid op te lossen, namelijk door de baby te doden. De soldaat vuurde zijn pijl op de baby af en doodde hem. Imam Hussein (a) hief met tranen in zijn ogen zijn hand, die nu bedekt was in het bloed van zijn baby, naar de hemel en zei: "O Allah! Uw Hussein heeft alles geofferd wat U hem gegeven heeft. O Allah, aanvaard dit offer". Imam Hussein (a) besefte zich dat de aanblik van de gestorven baby te pijnlijk zou zijn voor zijn echtgenote en besloot de baby meteen te begraven.

Imam Hussein (a) alleen op het veld



Imam Hussein (a) alleen op het veld

Nu stond Imam Hussein (a) alleen in het veld. Hij keek rond en zag zijn metgezellen en familieleden levenloos in het bloedbad. Hussein (a) riep: "Is er niemand die Allah vreest? Is er niemand die de familie van de Profeet beschermt? Imam Hussein (a) zei dit niet omdat hij bang van hen was. Hij wist juist precies wat er zou gaan gebeuren. Zijn woorden hadden een meer diepere boodschap voor de latere generaties, namelijk om te laten zien hoe wreed deze mensen zijn geworden. Koran: Allah heeft hun hart en oren verzegeld en over hun ogen is een sluier en hen wacht een zware straf. [2:7]

De vrouwen huilden na het horen van het overlijdensbericht. Ali, de zoon van Imam Hussein (a), Imam Zain al Abidien, (ook wel Imam Al Sajjad (a) genoemd) kwam wankelend, leunend op een stok uit de tent. Het is Allah's wil dat Ali (a) ziek was zodat de familielijn van de profeet (s) bewaard blijft. Imam Hussein (a) riep zijn zus om Ali (a) in de tent te houden.

Afscheid van Imam Hussain (a)

De vijand kwam nu steeds dichterbij, maar Imam Hussein (a) zwaaide met zijn zwaard naar hen waardoor ze gedwongen werden om terug te gaan. Amar ibn Abdullah, die zelf aan de strijd tegen Hussein (a) deelnam, zei dat hij Imam Hussein (a) met zijn spier aanviel en had hem kunnen doden, maar hij hield op, omdat hij deze zonde niet op zijn geweten wilde hebben. Hij zei: "Hussein (a) werd van alle kanten aangevallen maar hij liet de vijand terugtrekken. Bij Allah, Ik heb nooit zo'n ontmoedigde man gezien wiens familieleden vóór zijn ogen werden gedood, die zo moedig, resoluut en standvastig is gebleven. De situatie was dat de aanvallers links en rechts als schapen vóór een leeuw wegrenden." Deze situatie duurde steeds langer. Ondertussen kwam Zainab (a), de zus van Hussein (a),  uit haar tent en zei: "O Omar, zou Hussein (a) zomaar vóór uw ogen gedood worden?" Omar draaide zijn gezicht van haar af en zei tegen zijn troepen: "Dit is de zoon van Ali, neem hem van alle kanten". Op dat moment kreeg Imam Hussein (a) pijlen van alle kanten op zich gericht. Imam Hussein (a) zei: "O shi'a (volgelingen) van Abo Sofyaan, als jullie geen geloof in en geen vrees voor de Dag des Oordeels hebben, wees dan vrij in uw leven en denk weer na wat u doet". Al Shimr zei: "O zoon van Fatima wat zeg jij?" Hussein zei: "Ik vecht met jullie en jullie met mij...neem mij en laat de vrouwen met rust." Al Shimr zei: "Dat krijg je van ons."

Het afscheid

De strijd ging verder en Imam Hussein (a) raakte vermoeid van de dorst. Imam Hussein (a) ging richting de oever waar Amr ibn al-Hajjaj met vierduizend man was en vocht zijn weg door hen heen. Toen hij (a) wilde drinken zei hij tegen zijn paard: "Jij hebt dorst en ik heb dorst, ik drink niet voordat jij drinkt."

Op het moment dat Imam Hussein (a) net wilde drinken, hoorde hij een man zeggen: "Geniet je van het water terwijl we bij de vrouwen zijn?" Imam Hussein (a) rende snel naar de tenten nog voor hij wat kon drinken. Toen Imam Hussein (a) de tenten bereikte, verzamelde hij de vrouwen en kinderen om afscheid te nemen. Imam Hussein (a) sprak hen toe: "Heb geduld en wees voorbereid op de beproeving en weet dat Allah jullie beschermt en jullie zal redden van het kwaad van de vijanden en dat Hij jullie vijand straffen met alle soorten straffen en jullie zal belonen met alle soorten rijkdommen." 

Omar ibn Sa'd zei: "Dwazen! Val hem aan nu hij bezig is met zijn familieleden, want bij Allah, als hij nu klaar zou zijn, zou jullie linkerkant geen haartje beter zijn dan jullie rechter."

Hierna kwamen de pijlen als regen richting de tenten. Imam Hussein (a) nam zijn laatste afscheid van zijn familieleden en droeg het zwaard, de tulband en het schild van zijn grootvader, de Profeet Mohammed (s), ging op het leger af en zei: "Als het geloof van Mohammad (s) niet op een andere manier rechtgezet kan worden, laat dan jullie zwaarden mij nemen". Imam Hussein (a) vocht dapper, maar stierf desondanks aan de vele pijlen die in zijn richting werden geschoten.

De pijl van abo al Hoetoef al Jo'fi

Abo al Hoetoef al Jo'fi schoot Imam Hussein (a) met een pijl in zijn keel. Imam Hussein (a) trok de pijl terug en zei: "O Allah! Ik klaag slechts aan U. Zie hoe de mensen de kleinzoon van Uw Boodschapper (s) behandelen. O volk der kwaad. Het kwaad is wat jullie gevolgd hebben na de Profeet (s) in wat jullie zijn familie aandoen. Na mijn dood zullen jullie het moorden van mensen niet vrezen en ik hoop van Allah dat Hij mij martelaarschap biedt en vervolgens mijn wreekt vanuit een voor jullie onverwachte hoek".

Imam Hussein (a) raakte vermoeid door de verwondingen en het bloedverlies. Hij (a) stond op om rust te nemen en op dat moment kreeg hij een steen op zijn gezicht. Imam Hussein (a) veegde zijn bloed af en op dat moment kreeg hij (a) een pijl in zijn borst. 

Imam Hussein (a) zei: Bismillah wa billah wa ala millati Rasoolillah (In naam van Allah en op de pad van de profeet van Allah). Imam Hussein (a) keek in de hemel en zei: "Allah U weet dat zij een man vermoorden van wie er geen andere op aarde is en een man die de zoon is van de dochter van uw profeet". Daarna haalde hij de pijl uit zijn borst en het bloed begon te vloeien als water. 

Hij (a) legde zijn hand op zijn wond, nam zijn bloed en gooide het naar de hemel en zei: "Allah geef me geduld op wat op mij is neergedaald". Hij (a) zette zijn hand nog een keer op zijn wond totdat het vol was met bloed. Vervolgens wreef hij zijn gezicht en baard met zijn bloed en zei: "Zo wil ik Allah en mijn grootvader, de profeet, ontmoeten en dan zal ik ze zeggen die en die hebben mij vermoord". Hij (a) werd moe door bloedverlies en viel daardoor op de grond. Ze kwamen nu om hem heen en als ze hem (a) wilden vermoorden dan konden ze dat met gemak maar niemand durfde het alleen te doen zodat niemand individueel de schuld krijgt.

Al Shimr roept op

Al Shimr zei: "Waar wachten jullie op? Waarom doden jullie hem niet? De man is vermoeid door zijn verwondingen. Val hem in een keer aan".

Ze hadden hem (a) weer omringd. Zar'ah ibn Shareek sloeg hem met zijn zwaard op zijn linker arm en linker schouder, iemand anders schoot een pijl naar zijn mond, Sinan bin Anas sloeg hem met een spier op zijn buik en Salih ibn Wahab deed hetzelfde met zijn zwaard.

Hilaal ibn Naa'fi zei: "Ik stond naast Hussein en ik hoorde hem bidden. Bij Allah, ik heb nooit iemand gezien die, bijna stervend, zo besmeurd is met zijn eigen bloed. En een aangenaam licht uit zijn gezicht weerhield mij even van de gedachte om hem te vermoorden.” 

Op dat moment kwam het paard van Hussein (a), Thul'fiqaar (tevens het paard van de Profeet (s)), naast hem en wreef zich aan zijn (a) bloed. Ibn Sa'd zei: "Laat het paard met rust, want het is waardevol. Laten we kijken wat het doet."

Het paard bleef rondom om Hussein (a) lopen en zich wrijven aan zijn (a) bloed. Als iemand van het vijandelijke leger in de buurt probeerde te komen, begon het paard te hinniken en hield hij hen tegen. Het paard werd daarom verwijderd.

Zainab (a) zei tegen ibn Sa'd: "O Omar, Hussain wordt vermoord en je kijkt toe?" Omar ibn Sa'd riep naar zijn troepen: "Verlos hem van zijn pijn." Al Shimr kwam naar Hussein (a), gaf hem de fatale klap en onthoofdde hem. Hij reeg het heilige hoofd aan een speer  en liet het lachend aan het leger zien. Dat was niet genoeg voor hen, ze kwamen stampend met hun paarden op het lichaam van Hussein (a) en iemand sneed zijn armen eraf.

Zainab (a) omhelsde later het lichaam van Imam Hussein (a). Ze keek naar de hemel en zei: "O Mohammad! Moge de zegeningen en de begroetingen van de Engelen in de hemel neerdalen. Zie! Uw Hussein ligt in bloed en zand, in de woestijn. Zijn lichaam is in stukken gesneden. Uw dochters zijn gevangenen. Uw nageslacht is gedood en ligt op het zand. O Allah, aanvaard dit offer van ons".

Na de dood van Imam Hussein (a)

De tenten werden afgebrand. De overlevenden werden aan touwen vastgebonden, om naar de gouverneur van al Koefa (Obeid ibn Ziyaad, de zogenaamde 'khalifa' ) gebracht te worden, waar de hoofden van Imam Hussein (a), zijn familieleden en metgezellen op werden tentoongesteld. In Koefa sprak Zainab (a) de inwoners toe:

"O mensen van Koefa! O verraders! O zondaars! Nu huilt u? Moge Allah de stroom van uw tranen nooit verminderen en moge uw harten voor altijd met verdriet branden! Nu huilt u voor mijn broer? U hebt smet in uw handen na het doden van de Imam van deze tijd. O mensen van Koefa! Weet u welk deel u van Mohammed heeft weggesneden en wiens bloed u vergoten heeft en welke heiligheid u overtreden heeft?"

Op weg naar Yazid in Syrie

De weg naar Syrië was lichamelijk vermoeiend voor de overlevenden van de tragedie, die de weg te voet aflegden. Onderweg kwamen ze een klein kerkje tegen. De monnik in deze kerk hoorde huilende kinderen en kwam naar buiten om te kijken wat er aan de hand was. Hij zag de huilende kinderen, de lachende soldaten en op een van de speren van de soldaten zag hij een hoofd geregen. De monnik zag licht uit het hoofd komen. De monnik vroeg de soldaat van wie dit hoofd was, waarop de soldaat antwoordde: "Dit is het hoofd van Hussein, zoon van Fatima, dochter van de Profeet" De monnik keek de soldaat verbijsterd aan en zei: "Er is een heilige plek in Jeruzalem waar men herdenkt dat er een afdruk zit van de ezel van Jezus (a). Miljoenen christenen gaan er jaarlijks op bedevaart om de afdruk van de hoeven van de ezel te bekijken. En jullie vermoorden jullie heiligen en de familie van jullie Profeet?"

De monnik vroeg de soldaat of hij het hoofd voor een nacht mocht hebben. De soldaat stemde toe, tegen betaling. De monnik zette het hoofd op zijn schoot en huilde en bad de hele nacht. De volgende dag gaf hij het hoofd terug. De monnik bekeerde zich hierna en na een diep gesprek met Imam al Sajjad (a) tot de Islam en het kerkje werd een moskee, welke nog steeds te vinden is in Syrie.

Het hof van Yazid

Eenmaal aan het hof van Yazid, zagen de zoon van Imam Hussein (a), Ali Al Sajjad (a), de vrouwen en de kinderen dat Yazid het gezicht van Hussein (a) met een houten staaf sloeg. Yazid zei tegen Zainab (a): "Kijk wat Allah met jullie gedaan heeft! Wat zullen mijn voorouders blij zijn dat ik hen voor de slag van Badr heb gewroken".

Zainab (a) zei: "Ik dank Allah die ons geëerd heeft met zijn profeet Mohammed (s) en ons van elke smet zuiver gehouden heeft. Ik heb welwillendheid en goedheid vanuit Allah zien komen! Wat betreft ons de familie van de Profeet: martelaarschap is op ons getekend en is voor ons een gewoonte.”

{En laat degenen, die vlug tot ongeloof vervallen, u niet verdrieten; we geven hen slechts meer tijd zodat zij in zonden kunnen stijgen en voor hen zal er een zware straf zijn} (koran 3:176)

Zainab (a) ging verder: "O Yazid! als je denkt dat je ons hiermee laat vervagen, dan is dat maar een illusie en jouw gedachte. Integendeel, de geschiedenis zal jou vergeten." Deze woorden zijn waar geworden. Het is onbekend waar Yazid begraven ligt en waar zijn paleizen of de restanten ervan te vinden zijn. Daarentegen zijn de herinneringen aan de familie van de Profeet (s) overal te vinden." 

"O Yazid! Je onteert de mond van Hussein (a) vrolijk met je stok, terwijl het de plek was waar de Profeet hem kuste!"

"O Yazid! Wees niet opgeblazen van vreugde na het doden van de familie van de Profeet..."

{En denkt niet over degenen, die ter wille van Allah zijn gedood, als doden. Nee, zij zijn levend en bij hun Heer worden hun gaven geschonken} (koran 3:169) 

"O Yazid! Voel je niet verheven omdat je denkt dat je ons hiermee verslagen hebt. Op de dag des Oordeels zul je voor de Profeet Mohammed (s) gebracht worden en ten laste gelegd worden van het overtreden van de heiligheid van zijn familie. Op die dag zul je berecht worden voor je misdaad. Allah is niet onrechtvaardig tegen iemand. Wij steunen op Hem en bij Hem zoeken we toevlucht. Jij zult noch onze nagedachtenis niet vernietigen noch zul je die smet die je aan jezelf hebt toegebracht kunnen verwijderen. Jouw dagen zijn geteld en jouw partij zal zich aan alle kanten verspreiden op de dag dat de Omroeper zal zeggen: "Allah's vloek op de onrechtvaardige [mensen] en de tirannen."

Hierna liet Yazid hen in een bouwvallige plek verblijven en liet deze plek bewaken door zijn soldaten. Rokaya (a), de vierjarige dochter van Imam Hussein (a), huilde al een hele tijd en wilde haar vader zien. Ze werd door Zainab (a) verteld dat haar vader op reis was, maar Rokaya wilde haar vader zien. De soldaten konden niet meer tegen haar gehuil. Een van de soldaten ging naar Yazid om hem dat door te geven. Yazid zei: "Geef haar het hoofd van haar vader". De soldaat bracht Rokaya een bedekte schotel en legde deze naast haar. Rokaya zei dat ze geen honger had en dat ze slechts haar vader wilde zien. De soldaat haalde het doek van de schotel af en Rokaya zag het hoofd van haar vader. Ze omhelsde het hoofd en zei: "Wie heeft dit met u gedaan, mijn vader? " Na een tijdje stierf Rokaya spontaan.

O Hussein, bij Allah, wij zullen u tot de Dag des Oordeels nooit vergeten. Allah, vervloek de moordenaars van Imam Hussein (a) en zijn familie.

Geschreven door: Ahmed Mortada

© Copyright Ahlalbait Jongeren

Plaats reactie

Zie onze disclaimer voor de regels:

http://ahlalbait.nl/index.php/disclaimer


Beveiligingscode
Vernieuwen